ECLI:NL:RBSGR:2012:BX1161
Rechtbank 's-Gravenhage · 11-05-2012 · zaaknummer 11-11429
Inhoudsindicatie
De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat het thans bestreden besluit van 23 maart 2011 is genomen voor inwerkingtreding van het beleid neergelegd in WBV 2011/2 op 1 april 2011, zoals hiervoor opgenomen onder rechtsoverweging 2.19 tot en met 2.22. Nu het tot 1 april 2011 geldende beleid, gelet op voormelde uitspraken van de Afdeling van 29 september 2010 in strijd is met de standstill-bepaling en WBV 2011/2 nog niet in werking was getreden, was ten tijde van het bestreden besluit geen sprake van (kenbaar) beleid. Het standpunt van verweerder in het bestreden besluit dat eiser, ook met inachtneming van de uitspraken van de Afdeling van 29 september 2010, zijn aanvraag nog steeds niet met voldoende stukken heeft onderbouwd, kan daarom niet getoetst worden. Bovendien was bij gebreke van (kenbaar) beleid voor eiser niet duidelijk welke stukken door hem ter onderbouwing van zijn aanvraag dienden te worden overgelegd. Dat verweerder eiser bij schrijven van 22 juli 2010 heeft meegedeeld welke stukken hij ter onderbouwing van zijn aanvraag diende te overleggen en eiser bij schrijven van 24 december 2010 in de gelegenheid is gesteld dat alsnog te doen, leidt niet tot een ander oordeel. Niet duidelijk is immers op welk beleid deze stukken zijn terug te voeren. Reeds gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard onder vernietiging van het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt. (...). De rechtbank volgt verweerder in zoverre dat de onderdelen ‘persoonlijke ervaring’ en ‘ondernemingsplan’ ook op 1 januari 1973 werden betrokken bij de beoordeling of sprake was van een wezenlijk Nederlands belang. Anders dan verweerder is de rechtbank, onder verwijzing naar rechtsoverweging 2.2.5 van de uitspraak van de Afdeling van 29 september 2010 (LJN: BN9200), evenwel van oordeel dat door verweerder niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat de aspecten, die volgens de minister van EL&I, voorheen de minister van EZ, in de brief van 1 mei 2006 invulling geven aan de onderdelen ‘persoonlijke ervaring’, ‘ondernemingsplan’ en ‘toegevoegde waarde voor Nederland’, reeds onderdeel uitmaakten van het op 1 januari 1973 geldende criterium wezenlijk Nederlands belang, zoals dat hiervoor is weergegeven onder rechtsoverweging 2.12. De rechtbank is, gelet daarop, van oordeel dat verweerder niet van eiser mag verlangen om stukken te overleggen die zien op de aspecten: opleiding, ondernemerschapervaring, werkervaring, inkomen en ervaring met Nederland (onderdeel persoonlijke ervaring), marktpotentie, organisatie en financiering (onderdeel ondernemingsplan) en innovativiteit, arbeidscreatie en investeringen onderdeel toegevoegde waarde). (…). De rechtbank is van oordeel dat het beleid, zoals dat is neergelegd in B5/7.3.3 Vc, zonder de ter zitting door verweerder gegeven toelichting, niet kan worden begrepen op de wijze, die door verweerder ter zitting is voorgestaan. Zonder de gegeven toelichting is niet kenbaar dat verweerder van een Turkse vreemdeling, als eiser, ter onderbouwing van de aanvraag voor het doel arbeid als zelfstandige tevens de stukken verlangt - voor zover van toepassing -, die genoemd worden onder de zinsnede ‘indien sprake is van een onderneming in het land van herkomst:’ Bovendien betreft het dan enkel de stukken ‘voor zover van toepassing’, hetgeen kennelijk beoordeeld dient te worden door de vreemdeling zelf. Voor zover verweerder betoogd heeft dat ook paragraaf B5/7.3.4 Vc grondslag biedt om nadere onderbouwing van gegevens en cijfers te verlangen, volgt de rechtbank verweerder evenmin. In de verschillende onderdelen van paragraaf B5/7.3.4 Vc is immers opgenomen dat een en ander zo mogelijk (cursivering rechtbank) onderbouwd wordt. Uit het vorenstaande volgt dat verweerder van een Turkse vreemdeling ter onderbouwing van zijn aanvraag met het doel arbeid als zelfstandige niet méér stukken kan vragen dan de stukken die hij op grond van het beleid in B5/7.3.3 Vc en B5/7.3.4 Vc wordt geacht te overleggen, zoals weergegeven in rechtsoverweging 2.37. (…). De rechtbank is van oordeel dat de toepassing door verweerder van het beleid in B5/7.3.3, zoals ter zitting toegelicht, in strijd moet worden geacht met de standstill-bepaling van artikel 41 van het Aanvullend Protocol. Daartoe is redengevend dat verweerder alsdan ter onderbouwing van de in het ondernemingsplan opgenomen gegevens, zoals genoemd in B5/7.3.4 Vc, stukken verlangt die zien op aspecten, waarvan de Afdeling in eerdergenoemde uitspraken van 29 september 2010, en met name de uitspraak met nummer: LJN: BN9200, heeft overwogen dat verweerder niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat die reeds onderdeel uitmaakten van het op 1 januari 1973 geldende criterium wezenlijk Nederlands belang. Het betreft immers aspecten die invulling geven aan de onderdelen ‘persoonlijke ervaring’ en ‘ondernemingsplan’. De rechtbank doelt dan op: referentie voormalige werkgever(s), arbeidscontract(en) van voormalige dienstbetrekkingen, getuigschriften, referenties Nederlandse partners of contacten, vennootschapscontracten en financiële gegevens, zoals omzetgegevens, jaarrekeningen, belastinggegevens, loonstaten, loonaangiften, e.d. Beroep gegrond.
Advocaten
- J.P. Sanchez Montoto
- P.P. Zweedijk
- R.C. van Keeken
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
