Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW8345

Rechtbank 's-Gravenhage · 13-06-2012 · zaaknummer AWB 12/15510 en AWB 12/15508

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

De stelling van verweerder dat eiser in de gehoren in het kader van zijn inbewaringstelling reeds alle gegevens heeft verstrekt die benodigd zijn voor het opleggen van het inreisverbod, acht de rechtbank onjuist. Voor de beoordeling door verweerder of sprake is van omstandigheden die aanleiding geven een inreisverbod voor een kortere duur op te leggen of af te zien van het opleggen van een inreisverbod, waartoe artikel 6.5a van het Vb 2000 onderscheidenlijk artikel 66a, achtste lid, van de Vw 2000 de ruimte biedt, dient de vreemdeling wel degelijk in de gelegenheid te worden gesteld zijn zienswijze op het voornemen tot oplegging van een inreisverbod te geven en dergelijke omstandigheden te stellen. Bij de oplegging van het inreisverbod is geen sprake van zodanige spoed dat verweerder niet zou zijn gehouden om de vreemdeling de gelegenheid te bieden om mondeling dan wel schriftelijk zijn zienswijze te geven. Daarbij komt dat de vreemdeling een groot belang heeft bij een zorgvuldige voorbereiding van het besluit tot oplegging van een inreisverbod vanwege de verstrekkende gevolgen die dit voor hem kan hebben. Veelal is het niet mogelijk dat de vreemdeling in de korte periode van zes uren, waarin hij kan worden opgehouden voor de gehoren op grond van artikel 50 en 59 van de Vw 2000, reeds kan worden bijgestaan door een rechtshulpverlener. Blijkens de toelichting op de Regeling van verweerder van 23 december 2011, nr. 2011-2000589459, houdende wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (honderdtiende wijziging), is er wel van uitgegaan dat de vreemdeling voorafgaand aan de oplegging van een inreisverbod reeds wordt bijgestaan door een rechtshulpverlener. Nu verweerder eiser op grond van artikel 4:9 van de Awb niet de keuze heeft geboden om zijn zienswijze mondeling dan wel schriftelijk te geven, heeft verweerder een vormvoorschrift voor het opleggen van het inreisverbod geschonden. De rechtbank zal vervolgens bezien of aanleiding bestaat om het besluit ondanks de schending in stand te laten, onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb. In dit kader is van belang of eiser door de schending in zijn belangen is geschaad. Eiser dient hiertoe zwaarwegende belangen te stellen. Zoals ter zitting is toegelicht is hem de mogelijkheid onthouden met de hulp van de rechtsbijstandsverlener schriftelijk zijn belangen te stellen en (juridisch) te onderbouwen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser ten aanzien van het voornemen tot oplegging van het inreisverbod in het gehoor van 1 mei 2012 onder meer heeft gesteld dat hij werkzaam is voor een transportbedrijf en als chauffeur regelmatig naar Griekenland moet. Nu eiser een belang van voldoende gewicht heeft gesteld, niet in de gelegenheid is gesteld voorafgaand aan het opleggen van het inreisverbod schriftelijk dit belang nader toe te lichten en verweerder bovendien dit belang niet, althans niet kenbaar, bij de besluitvorming heeft betrokken, ziet de rechtbank geen aanleiding om het besluit op grond van artikel 6:22 van de Awb in stand te laten.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.