Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW8342

Rechtbank 's-Gravenhage · 13-06-2012 · zaaknummer AWB 12/15512 en AWB 12/15513

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

De stelling van verweerder dat eiser in de gehoren in het kader van zijn inbewaringstelling reeds alle gegevens heeft verstrekt die benodigd zijn voor het opleggen van het inreisverbod, acht de rechtbank onjuist. Voor de beoordeling door verweerder of sprake is van omstandigheden die aanleiding geven een inreisverbod voor een kortere duur op te leggen of af te zien van het opleggen van een inreisverbod, waartoe artikel 6.5a van het Vb 2000 onderscheidenlijk artikel 66a, achtste lid, van de Vw 2000 de ruimte biedt, dient de vreemdeling wel degelijk in de gelegenheid te worden gesteld zijn zienswijze op het voornemen tot oplegging van een inreisverbod te geven en dergelijke omstandigheden te stellen. Bij de oplegging van het inreisverbod is geen sprake van zodanige spoed dat verweerder niet zou zijn gehouden om de vreemdeling de gelegenheid te bieden om mondeling dan wel schriftelijk zijn zienswijze te geven. Daarbij komt dat de vreemdeling een groot belang heeft bij een zorgvuldige voorbereiding van het besluit tot oplegging van een inreisverbod vanwege de verstrekkende gevolgen die dit voor hem kan hebben. Veelal is het niet mogelijk dat de vreemdeling in de korte periode van zes uren, waarin hij kan worden opgehouden voor de gehoren op grond van artikel 50 en 59 van de Vw 2000, reeds kan worden bijgestaan door een rechtshulpverlener. Blijkens de toelichting op de Regeling van verweerder van 23 december 2011, nr. 2011-2000589459, houdende wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (honderdtiende wijziging), is er wel van uitgegaan dat de vreemdeling voorafgaand aan de oplegging van een inreisverbod reeds wordt bijgestaan door een rechtshulpverlener. Nu verweerder eiser op grond van artikel 4:9 van de Awb niet de keuze heeft geboden om zijn zienswijze mondeling dan wel schriftelijk te geven, heeft verweerder een vormvoorschrift voor het opleggen van het inreisverbod geschonden. De rechtbank zal vervolgens bezien of aanleiding bestaat om het besluit ondanks de schending in stand te laten, onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb. In dit kader is van belang of eiser door de schending in zijn belangen is geschaad. Eiser dient hiertoe zwaarwegende belangen te stellen. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat hem de mogelijkheid is onthouden met de hulp van zijn rechtsbijstandsverlener schriftelijk belangen te stellen en (juridisch) te onderbouwen, die voor verweerder aanleiding hadden kunnen geven voor het opleggen van een inreisverbod van kortere duur. De rechtbank stelt evenwel vast dat eiser dergelijke belangen in het geheel niet heeft gesteld in de gehoren voor de oplegging van het inreisverbod op 1 april 2012 en 9 mei 2012. Evenmin heeft eiser ter zitting, in aanwezigheid van een tolk en zijn raadsman alsnog relevante belangen gesteld. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding de schending van het vormvoorschrift van artikel 4:9 van de Awb te passeren en het besluit tot oplegging van het inreisverbod in stand te laten.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.