ECLI:NL:RBSGR:2012:BW5859
Rechtbank 's-Gravenhage · 09-05-2012 · zaaknummer AWB 12/525
Inhoudsindicatie
De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat hij de mededeling “voor zover vereist wordt een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 35 Wbp” in het bezwaarschrift op nader aan te voeren gronden tegen de visumweigering van 24 november 2011 niet heeft moeten opvatten als een verzoek van eiseres als bedoeld in artikel 35, eerste lid, eerste volzin, van de Wbp. Artikel 7:4, tweede lid, van de Awb verplicht het bestuursorgaan er toe alle op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage te leggen. Bovendien heeft verweerder als beleid om afschriften van die stukken aan belanghebbenden te verstrekken. Hieraan kan niet afdoen dat eiseres de litigieuze mededeling in haar bezwaarschrift heeft opgenomen om verweerder langs die weg te verplichten om de stukken binnen de in artikel 35, eerste lid, van de Wbp genoemde termijn van vier weken te verstrekken. Verweerder heeft naar aanleiding van het verzoek van eiseres van 17 november 2011 de op de visumzaak betrekking hebbende stukken bij begeleidende brieven van 18 januari 2012 en 3 februari 2012 toegezonden aan de gemachtigde van eiseres. Deze reactie van verweerder is niet op rechtsgevolg gericht en derhalve niet aan te merken als een besluit in de zin van de Awb. Er is dus geen beroepsrecht indien niet tijdig wordt gereageerd op het verzoek. Daarbij geldt verder dat het besluit op de visumaanvraag is genomen (mede) op grond van het Soeverein Besluit van 12 december 1813 en in artikel IIB van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen is neergelegd dat paragraaf 4.1.3.2 van de Awb gedurende drie jaren na 1 oktober 2009 geen toepassing vindt op beschikkingen, genomen op grond van dit Soeverein Besluit, en op beslissingen op bezwaar, gemaakt tegen die beschikkingen, voor zover bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan niet anders is bepaald. Voor de aan dit rechtsoordeel ten grondslag liggende rechtsoverwegingen verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de vreemdelingenkamer van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht, van 22 september 2011, LJN: BT2913, die hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiseres]
eiseres · onbekend
de minister van Buitenlandse Zaken
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de minister van Buitenlandse Zaken
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
