Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW1121

Rechtbank 's-Gravenhage · 22-03-2012 · zaaknummer AWB 11-40646 en AWB 11-40650

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat de bekering van eiseres in Nederland nieuw is en een zelfstandig karakter draagt ten opzichte van het relaas dat tot de eerdere afwijzing heeft geleid. Bij voormelde overweging heeft de rechtbank acht geslagen op de uitspraken van de ABRvS van 31 oktober 2002 (LJN: AF2853) en van 13 mei 2005 (LJN: AT5863). Naar het oordeel van de rechtbank is de onderhavige aanvraag van eiseres voor zover dat ziet op de gestelde bekering in Nederland geen besluit van gelijke strekking. De rechtbank komt daarom ten aanzien van dit feit toe aan een inhoudelijke behandeling van het bestreden besluit ten aanzien van eiseres. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien Afghaanse christenen aan te wijzen als groep van wie de enkele bekering tot het christendom voldoende is voor statusverlening. Dat uit de informatie blijkt dat christenen in Afghanistan problemen kunnen ondervinden ten aanzien van de uitoefening van het christelijk geloof of dat bekeerlingen risico’s lopen indien zij openlijk uitkomen voor hun bekering tot het christendom, rechtvaardigt niet reeds de conclusie dat zij enkel vanwege het feit dat zij christen zijn bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico lopen op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling, nu uit die informatie evenzeer blijkt dat geen sprake is van systematische discriminatie van en geweld tegen christenen. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot het in paragraaf C24/1.3.3 van de Vc, zoals gewijzigd bij WBV 2011/16, neergelegde beleid heeft kunnen komen. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van de ABRvS van 14 februari 2012 (LJN: BV6268). Hoewel uit het ambtsbericht van augustus 2011 kan worden afgeleid dat in de zuidelijke provincies van Afghanistan, waartoe Kandahar behoort, sprake is van een verslechterde veiligheidssituatie en een toename van het aantal veiligheidsincidenten en de situatie daar kan worden omschreven als “erg zorgwekkend”, kan daaruit niet worden afgeleid dat de mate van willekeurig geweld in die provincie ten tijde van de besluiten van 15 december 2011 en thans dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger, louter door zijn aanwezigheid daar, op dat moment een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn beschreven ernstige schade. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, mede onder verwijzing naar het ambtsbericht van augustus 2011 en de uitspraak van de ABRvS van 14 november 2011 (LJN: BU5013) en met inachtneming van de door eisers overgelegde stukken, op het standpunt heeft mogen stellen dat in Kandahar, geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn.

Advocaten

  • F.S. van Nierop

Partijen

  • [eiser]

    eiser · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.