Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV8680

Rechtbank 's-Gravenhage · 05-03-2012 · zaaknummer AWB 12/4710 & 12/4713

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Vrijheidsontneming ex art. 6 Vw – art. 26 Vluchtelingenverdrag – art. 5 EVRM - art. 35 Procedurerichtlijn In artikel 26 van het Vluchtelingenverdrag is bepaald dat elke Verdragsluitende Staat aan de rechtmatig op zijn grondgebied vertoevende vluchtelingen het recht verlenen er hun verblijf te kiezen en zich vrij op dat grondgebied te bewegen. Deze bepaling heeft naar het oordeel van de rechtbank betrekking op vreemdelingen die door een verdragsluitende staat als vluchteling zijn erkend. Hiervan is ten aanzien van eisers geen sprake. Dat de erkenning als vluchteling declaratoir is, laat onverlet dat een verdragsluitende staat zal moeten beoordelen of een vreemdeling een gegronde vrees voor vervolging heeft als bedoeld in artikel 1(A) van het Vluchtelingenverdrag om als (erkend) vluchteling te kunnen worden aangemerkt. De rechtbank volgt eisers niet in hun standpunt dat, nu zij toegang tot Nederland hebben verkregen, de aan hen opgelegde maatregel in strijd is met artikel 5, eerste lid, sub f, EVRM. Immers, zoals uit de uitspraak van 4 oktober 2011 (201102753/1/V3) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt, strekt de toegangsweigering ex artikel 3 Vw tot weigering van verdere feitelijke binnenkomst in Nederland en strekt de maatregel van artikel 6 Vw er toe om vreemdelingen, zoals eisers, die niet voldoen aan de voorwaarden voor verdere toegang, te beletten op onrechtmatige wijze Nederland verder binnen te komen. Dit acht de rechtbank in overeenstemming met (de strekking van) het bepaalde in artikel 5, eerste lid, sub f, EVRM. Evenmin wordt eiser 1 gevolgd in zijn standpunt dat verweerder bij het nemen van de afwijzende asielbeschikking een nieuw besluit inzake zijn detentie had moeten nemen, omdat voortzetting van de eerdere maatregel niet mogelijk is, aangezien de rechtsgrondslag waarop die maatregel is gebaseerd is veranderd. In dit verband is door eiser 1 verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van de EU (hierna: het Hof) inzake Kadzoev van 30 november 2009, C-357/09 PPU; LJN: BK5471). De rechtbank stelt vast dat de voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel na de afwijzende asielbeschikking op dezelfde grondslag berust als die waarop de oplegging van de maatregel is gebaseerd. Dit leidt evenwel niet tot onrechtmatigheid van de voortzetting van de maatregel. Zo al uit de overwegingen van het Hof is af te leiden dat voor de voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel na een afwijzende asielbeschikking een afzonderlijke, op andere grondslag berustende beslissing vereist is, is uit die overwegingen niet af te leiden dat, indien zodanige beslissing ontbreekt, de voortzetting van de maatregel onrechtmatig is. Aan het ontbreken van zodanige beslissing verbindt het Hof slechts gevolgen voor berekening van de in artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn bedoelde termijn van vrijheidsontneming.

Rechters

Advocaten

  • B. Wegelin
  • J.M. Siddler

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.