ECLI:NL:RBSGR:2012:BV8426
Rechtbank 's-Gravenhage · 06-02-2012 · zaaknummer Awb 11/30565 en Awb 11/30566
Inhoudsindicatie
Verwesterde vrouwen, waartoe ook verwesterde meisjes behoren, moeten als een sociale groep als bedoeld in artikel 1 Vluchtelingenverdrag worden aangemerkt nu deze groep in Afghanistan een eigen identiteit heeft, omdat zij in haar eigen omgeving als afwijkend wordt beschouwd. Ook in het beleid van verweerder wordt deze groep als sociale groep aangemerkt nu in het beleid is opgenomen dat wanneer een individuele asielzoekster aannemelijk maakt dat zij vanwege haar levensstijl zwaarwegende problemen heeft ondervonden in Afghanistan en deze problemen (mede) aanleiding zijn geweest voor het vertrek, dit voldoende kan zijn om op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b Vw 2000 een verblijfsvergunning te verlenen. De vraag is of de problemen die verwesterde meisjes bij hun terugkeer of komst naar Afghanistan zullen ondervinden zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een ernstige schending vormen van de grondrechten van de mens, met name de rechten waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15 EVRM of dat hierdoor sprake is van een samenstel van verschillende maatregelen, waaronder mensenrechtenschendingen, die voldoende ernstig is om iemand op een soortgelijke wijze te treffen (artikel 9, eerste lid, Definitierichtlijn). In het bijzonder ligt de vraag voor of het voor de dochter van eisers, die ruim zeven jaar was toen zij Afghanistan verliet en die thans elf jaar is, mogelijk is om zich aan te passen aan de geldende sociale zeden en of deze aanpassing een zodanige beperking van haar grondrechten met zich brengt dat van vervolging of van een onmenselijke behandeling moet worden gesproken. Hoewel de rechtbank onderkent dat de kinderen van eisers, en in het bijzonder de dochter van eisers, bij terugkeer naar Afghanistan zowel op school als in het dagelijks leven ernstige problemen zullen kunnen ondervinden, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze problemen niet zodanig zijn dat sprake is van vervolging of een onmenselijk behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. Wat betreft de dochter van eisers heeft verweerder daarbij betekenis mogen hechten aan haar leeftijd ten tijde van het vertrek uit Afghanistan, de duur van het verblijf buiten Afghanistan, haar huidige leeftijd en de omstandigheid dat zij bij terugkeer zal worden begeleid door haar moeder. Ter zitting heeft eiseres naar voren gebracht dat zij vreest dat haar dochter zal worden uitgehuwelijkt aan een oudere man. Hoewel deze mogelijkheid bestaat, zijn geen verdere specifieke onderscheidende kenmerken betreffende de situatie van de dochter van eisers naar voren gebracht of gebleken op grond waarvan moet worden aangenomen dat specifiek zij een reëel risico loopt op uithuwelijking. Ook in zoverre is bij terugkeer geen sprake van een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. De dochter van eisers komt evenmin in aanmerking voor vergunningverlening op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 vanwege klemmende redenen van humanitaire aard nu zij niet voldoet aan de daarvoor in het beleid genoemde voorwaarde van minimaal acht jaar verblijf in Nederland. Hoewel deze termijn in het beleid alleen als uitgangspunt geldt en ook andere omstandigheden worden genoemd om te bepalen of sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard, heeft verweerder gelet op het relatief korte verblijf in Nederland en gelet op de afwezigheid van overige bijzondere omstandigheden zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder c, Vw 2000. De omstandigheden dat de dochter van eisers al een paar jaar in Nederland naar school gaat en in haar opvoeding al in Afghanistan is beïnvloed doordat eiseres een ontwikkelde vrouw is met liberale opvattingen en eisers alleen matig praktiserend moslim zijn, heeft verweerder in dat verband in redelijkheid onvoldoende kunnen achten.
Rechters
Advocaten
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
