Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBSGR:2012:BV7731

Rechtbank 's-Gravenhage · 01-03-2012 · zaaknummer Awb 11/2097 en 11/12451

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Eiser lijdt aan een zeldzame ziekte die met zich brengt dat uitzetting in strijd zou zijn met het bepaalde in artikel 3 van het EVRM. Behandeling van die ziekte is mogelijk in Nederland en in Duitsland, waar eiser eerder rechtmatig heeft verbleven. Eiser heeft zowel een verblijfsvergunning asiel aangevraagd als een verblijfsvergunning vanwege medische redenen. Een eerdere ongewenstverklaring van eiser is opgeheven door verweerder vanwege het 3 EVRM-aspect. In de loop van de behandeling van de voorliggende procedures heeft verweerder te kennen gegeven dat bij die opheffing abusievelijk is aangenomen dat aan het duurzaamheidscriterium was voldaan terwijl eiser nog geen 10 jaren in Nederland verbleef. De rechtbank overweegt dat de weigering van de verblijfsvergunning asiel in stand kan blijven. De rechtbank heeft hierbij betrokken dat vaststaat dat eiser is veroordeeld wegens een ernstig misdrijf en artikel 3.105e, onder b, van het Vb 2000 dan aan verlening van een verblijfsvergunning asiel in de weg staat. Het beroep ter zake van de gevraagde verblijfsvergunning regulier is echter gegrond geacht vanwege een motiveringsgebrek. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het standpunt van verweerder dat de opheffing van de ongewenstverklaring op een abuis berust, niet betekent dat verweerder bij de beoordeling van de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor het ondergaan van een medische behandeling het duurzaamheidsaspect in het kader van een belangenafweging niet opnieuw dient te beoordelen. Ten aanzien van dat duurzaamheidsaspect overweegt de rechtbank vervolgens dat de termijn van 10 jaren berust op een door verweerder gevoerd beleid. Van een dergelijk beleid kan worden afgeweken indien er sprake is van bijzondere omstandigheden. Niet valt in te zien dat dus niet ook reeds voor het verstrijken van die termijn van 10 jaren kan worden geconcludeerd dat er geen zicht bestaat op verandering van de situatie binnen afzienbare tijd. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 2010 (LJN: BN0220) ziet de rechtbank geen reden tot een andere conclusie te komen. Ten aanzien van de bewijslast ter zake van het wel of niet naar Duitsland kunnen vertrekken, heeft de rechtbank overwogen dat een feit blijft dat verweerder heeft besloten tot opheffing van de ongewenstverklaring van eiser. Indien verweerder derhalve al gevolgd kan worden in zijn standpunt dat hier sprake is van een kennelijke misslag brengt die misslag, resulterend in een opheffing van de ongewenstverklaring, en gelet op de in dit geval daaraan ten grondslag gelegde motivering, met zich dat de bewijslast dat eiser naar Duitsland kan vertrekken naar dezerzijds oordeel op verweerder is komen te rusten. In dit verband acht de rechtbank nog van belang dat eiser heeft gesteld reeds eerder een aanvraag tot hernieuwde toelating tot Duitsland te hebben ingediend, maar daarop een negatief antwoord te hebben ontvangen. Ook is, zoals hiervoor onder 14 reeds is overwogen, onbestreden gebleven het standpunt van eiser dat een poging hem uit te zetten naar Duitsland is mislukt. Vernietiging in hoger beroep, ABRS nr. 201203324/1/V2, 18-06-2013.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Partijen

  • [eiser]

    eiser · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.