ECLI:NL:RBSGR:2012:BV7536
Rechtbank 's-Gravenhage · 29-02-2012 · zaaknummer 11/4512 en 11/4514
Inhoudsindicatie
Document artikel 9 Vw 2000, (herkomst) middelen van bestaan, minderjarige Unieburger, familielid van, Richtlijn, arrest Zhu en Chen, evenredigheidsbeginsel, arrest Zambrano Weigering artikel 9-document voor minderjarige zoon (Duitse nationaliteit, Unieburger) en vader (beëindiging verblijfsrecht Duitsland ivm veroordeling). Bezwaar ongegrond omdat zoon niet zelf beschikt over voldoende middelen van bestaan + niet gecompenseerd door het feit dat de verzorgende ouder, vader, zelfstandig beschikt over middelen van bestaan, omdat deze hiervoor afhankelijk is van giften van een stichting, die door middel van een schenkingsovereenkomst ter beschikking worden gesteld. Omdat, zoals volgt uit jurisprudentie van het Hof, een eis met betrekking tot de herkomst van de bestaansmiddelen niet is toegestaan moeten de inkomsten uit schenking in beginsel als middelen van bestaan worden aanvaard. In het bestreden besluit, noch in het besluit op de aanvraag is de voorwaarde gesteld dat eisers bewijs dienen te leveren van een uit de schenkingsovereenkomst voortvloeiende geldstroom. Daarnaast zijn geen consequenties verbonden aan de hoogte van de inkomsten van vader. Verweerder heeft zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de zoon op grond van de Richtlijn geen verblijfsrecht heeft als gemeenschapsonderdaan. Beroep zoon gegrond. Uit het arrest Zhu en Chen volgt dat het doel van het verblijf in Nederland van de zoon niet van belang is bij de beoordeling van het geschil. Nu in het bestreden besluit verder geen voorbehoud is gemaakt ten aanzien van de toereikendheid van de bestaansmiddelen, kan het standpunt dat vader niet in aanmerking komt voor het gevraagde verblijfsdocument omdat hij niet zelf beschikt over voldoende solide bestaansmiddelen, geen stand houden. Beroep vader gegrond. Toepassing artikel 8:72, derde lid, van de Awb. Anders dan in het arrest Zhu en Chen, is niet aannemelijk gemaakt dat de zoon voor de uitoefening van zijn recht om vrij op het grondgebeid van de lidstaten te reizen en te verblijven uitsluitend is aangewezen op begeleiding door zijn vader. De moeder van de zoon verblijft in Duitsland met de overige kinderen, 2 broers van de zoon zijn in Duitsland werkzaam. De zoon heeft voorafgaand aan de aanvraag bij de familie verbleven. Niet is gebleken dat niet van moeder of broers kan worden verlangd dat zij zich bij de zoon in Nederland voegen. Onder deze omstandigheden volgt uit de weigering van verweerder om de vader een document als bedoeld in artikel 9 te verlenen dan ook niet, dat hiermee het nuttig effect van het verblijfsrecht aan de zoon wordt ontnomen en de zoon - anders dan is betoogd - gedwongen wordt het grondgebied van de Unie te verlaten en zodoende in de feitelijke onmogelijkheid komt te verkeren om aan de staat van burger van de Unie ontleende rechten uit te oefenen. Beroep op evenredigheidsbeginsel faal omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de zoon voor het uitoefenen van zijn rechten geheel afhankelijk is van de aanwezigheid van zijn vader in Nederland. Beroep op Zambrano faalt eveneens, nu geen sprake is van een situatie waarin beide ouders het recht wordt ontzegd te verblijven in een lidstaat waar de kinderen, die de nationaliteit van de lidstaat hebben en derhalve burgers van de Unie zijn, verblijven.
Advocaten
- G.M.H. Hoogvliet
- M.F. Wijngaarden
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
