ECLI:NL:RBSGR:2012:BV7369
Rechtbank 's-Gravenhage · 23-02-2012 · zaaknummer AWB 12/4742
Inhoudsindicatie
Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 maart 2011 (LJN: BP9284) leidt de rechtbank af dat een vreemdeling niet kan worden tegengeworpen dat hij zich niet aan zijn vertrektermijn heeft gehouden, indien hij gedurende die vertrektermijn in vreemdelingenbewaring wordt gesteld. In het enkele feit dat eiser tijdens zijn vertrektermijn niet in vreemdelingenbewaring is gesteld, maar gevangen is gezet ter executie van een gevangenisstraf, ziet de rechtbank geen reden om daar in deze zaak anders over te oordelen. Hieruit volgt dat eiser na zijn vrijlating uit strafrechtelijke detentie niet aansluitend in vreemdelingenbewaring had mogen worden gesteld, maar in de gelegenheid had moeten worden gesteld om binnen de hem resterende vertrektermijn – die weer is gaan lopen na afloop van zijn strafrechtelijke detentie – Nederland alsnog zelfstandig te verlaten. Dat eiser, naar verweerder stelt, gedurende zijn strafrechtelijke detentie onvoldoende zou hebben gedaan om zijn terugkeer te bewerkstelligen, leidt niet tot een andersluidend oordeel. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig is.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
