ECLI:NL:RBSGR:2012:BV7160
Rechtbank 's-Gravenhage · 21-02-2012 · zaaknummer AWB 11/6036
Inhoudsindicatie
Verweerder heeft erkend dat eiser actief bekeringsactiviteiten heeft verricht die zich na het eerdere besluit hebben voorgedaan door zich actief op internet te profileren door een weblog bij te houden. Voorts is in het Reformatorisch Dagblad een artikel gepubliceerd met de foto van zijn doopceremonie. Dit zijn nieuwe feiten als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de ABRvS van 4 oktober 2010, waarin is overwogen dat verweerder van eiser terughoudendheid in de wijze van beoefening van zijn godsdienst mag verwachten om een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling te voorkomen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval wegens bijzondere omstandigheden dat niet van hem kan worden gevergd. Er bestaan wel aanknopingspunten voor het oordeel dat de Iraanse autoriteiten bijzondere aandacht aan de dag leggen voor bepaalde activiteiten van personen die Iran hebben verlaten, maar er zijn geen aanwijzingen voor de veronderstelling dat juist eiser hierdoor bij de Iraanse autoriteiten in een negatieve belangstelling is komen te staan. Verder heeft eiser zijn stellingen dat zijn familie zijn bekering en daarmee samenhangende activiteiten onder de aandacht van de autoriteiten heeft gebracht op zo’n wijze dat moet worden aangenomen dat eiser in de bijzondere negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten is komen te staan, niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft verder aangevoerd dat alleen het bekeerd zijn al zulke problemen oplevert, dat er geen andere problemen nodig zijn voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. In dit verband heeft eiser gewezen op de rapporten van Elim Ministeries, die verklaren dat er sprake is van een campagne tegen christenen, met grootscheepse razzia’s tegen huiskerken, massale arrestaties en langdurige detenties. De rechtbank is van oordeel dat de in deze documenten omschreven gebeurtenissen niet van zo’n gewicht zijn dat daarin aanleiding is gelegen tot een ander oordeel te komen over het gevaar dat christenen bij terugkeer naar Iran lopen op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM dan is gegeven in de uitspraak van de Afdeling van 19 augustus 2009. Daarbij is in aanmerking genomen dat uit bedoelde documenten niet valt af te leiden dat sprake is van zo’n verslechtering van de positie van christenen in Iran dat het door verweerder gevoerde beleid onredelijk moet worden geacht. Ook in het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van augustus 2011 zijn naar het oordeel van de rechtbank hiervoor geen aanknopingspunten te vinden. Beroep ongegrond.
Advocaten
- J.C. van Zundert
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
