ECLI:NL:RBSGR:2012:BV2904
Rechtbank 's-Gravenhage · 20-01-2012 · zaaknummer AWB 11/1206 en AWB 11/1209
Inhoudsindicatie
Invorderingswet. Bestuurdersaansprakelijkheid. Tot het faillissement 8 september 2009 waren eiser en zijn broer bestuurders van BV X. In verband met het faillissement is het bedrijfspand van BV Y, een aan BV X gelieerde vennootschap, voor € 450.000 verkocht en in een voorlopig faillissementsverslag is onder meer vermeld dat de inventaris van BV X is verkocht voor € 76.000 en verweerder op die opbrengst een voorrecht heeft. In 2008 zijn aan BV X een naheffingsaanslag omzetbelasting (OB) en twee naheffingsaanslagen loonbelasting (LB) opgelegd. Voor wat betreft de OB is door de FIOD een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd naar het aangiftegedrag van BV X en bij één van de naheffingsaanslagen LB is aan BV X een vergrijpboete opgelegd. De naheffingsaanslagen zijn voor een deel onbetaald gebleven, waarvoor eiser en zijn broer aansprakelijk zijn gesteld. In geschil is of dit terecht is, of de naheffingsaanslag OB naar het juiste bedrag is opgelegd en of bij de aansprakelijkstelling rekening had moeten worden gehouden met de opbrengst van het pand van BV Y en de inventaris van BV X. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslagen weet had van de betalingsonmacht van BV X en deze wetenschap kan worden aangemerkt als een melding van betalingsonmacht die is gedaan binnen twee weken na de vervaldata van de naheffingsaanslagen. De rechtbank is van oordeel dat onder die omstandigheden een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat verweerder aannemelijk moet maken dat de naheffingsaanslag het gevolg is van opzet of grove schuld BV X en de melding daardoor niet het voor eiser gewenste gevolg kan hebben. De rechtbank oordeelt dat verweerder, met diens verwijzing naar het rapport van de FIOD en de vergrijpboete bij de naheffingsaanslag LB, in dat bewijs slaagt, zodat de betalingsonmacht niet met vrucht kon worden gemeld. Eiser en zijn broer zijn daarom terecht aansprakelijk gesteld. De stelling van eiser dat de naheffingsaanslag OB te hoog is omdat BV X over het naheffingtijdvak nog recht heeft op een teruggaaf, wordt door de rechtbank op feitelijke gronden afgewezen. Aangaande de opbrengst van het pand van BV Y oordeelt de rechtbank dat afboeking van de opbrengst op de belastingschulden van BV X onmogelijk was omdat BV X de opbrengst heeft gecedeerd wegens schulden aan een andere BV. Aangaande de opbrengst van de inventaris van BV X oordeelt de rechtbank dat het faillissement nog niet is afgewikkeld en verweerder dit bedrag dus nog niet heeft ontvangen. Daarom kan dit bedrag nog niet in mindering komen op de bedragen waarvoor eiser en zijn broer aansprakelijk zijn gesteld. De beroepen zijn ongegrond.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Belastingdienst [te P]
verweerder · overheid
[eiser]
eiser · onbekend
Overheidspartijen
Belastingdienst [te P]
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
