ECLI:NL:RBSGR:2011:BU9596
Rechtbank 's-Gravenhage · 28-12-2011 · zaaknummer AWB 11-38618
Inhoudsindicatie
Vreemdelingrechtelijke bewaring, voorafgegaan door strafrechtelijke detentie en eerdere vreemdelingrechtelijke bewaring. Belangenafweging mag nog steeds in het nadeel van eiser uitvallen, ondanks totale detentieperiode van ruim twee jaar. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de periode van 3 december 2009 tot 6 januari 2010, waarin eiser in vreemdelingenrechtelijke bewaring verkeerde, en de periode van 6 januari 2010 tot 30 december 2010, waarin eiser zich in strafrechtelijke detentie bevond, buiten beschouwing dienen te worden gelaten. Verweerder verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 april 2011, LJN: BQ2714. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. De rechtsvraag waarover de Afdeling zich heeft uitgelaten in genoemde uitspraak van 15 april 2011 betrof een andere dan de vraag die in het onderhavige geschil aan de orde is. De Afdeling oordeel de immers over de vraag of de detentieperiode die voorafgegaan is aan de vreemdelingrechtelijke bewaring dient te worden meegenomen bij de vaststelling van de maximale periode van zes maanden als bedoeld in artikel 15, vijfde lid, van de Terugkeerrichtlijn. De beantwoording van die vraag door de Afdeling is niet van invloed op de vraag die in de onderhavige zaak voorligt. In de onderhavige zaak speelt immers de vraag welke betekenis moet worden gehecht aan de voorafgaande detentieperiode bij de belangenafweging die wordt verricht in het kader van de voortduring van de bewaring. Volgens vaste jurisprudentie, onder andere neergelegd in de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2004, LJN AR5190, moet bij de te maken belangenafweging ook de onmiddellijk aan de inbewaringstelling voorafgaande periode van aansluitende vreemdelingrechtelijke en strafrechtelijke detentie van de desbetreffende vreemdeling worden betrokken. Voor de onderhavige zaak betekent dit dat in ogenschouw moet worden genomen dat eiser ten tijde van het sluiten van het onderzoek ruim twee jaar in detentie verbleef. In deze omstandigheid heeft verweerder in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om de belangenafweging in het voordeel van eiser te laten uitvallen. Verweerder heeft in dit verband kunnen aanvoeren dat eiser het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit (nog steeds) frustreert door aan de vaststelling van hiervan tot op heden geen bijdrage te leveren. Ook heeft eiser geweigerd om handelingen te verrichten die zijn verwijdering zouden kunnen bespoedigen. Verweerder heeft voorts gewicht mogen toekennen aan het feit dat eiser ongewenst is verklaard en dat hij zware criminele antecedenten heeft.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
