Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU5774

Rechtbank 's-Gravenhage · 10-11-2011 · zaaknummer Awb 11-6986

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Met de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State – als overwogen in de uitspraak van 30 november 2009 (zaaknummer 200902411/1/V2) – is de rechtbank van oordeel dat uit het algemeen ambtsbericht voor de DRC van juli 2008 blijkt dat de situatie voor vrouwen in de DRC ten opzichte van de situatie aldaar ten tijde van het besluit van 16 juni 2006 zodanig is verslechterd dat niet op voorhand is uitgesloten dat deze verslechterde situatie kan afdoen aan het betreffende besluit, in zoverre dat ziet op toelating op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit kader dan ook sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zodat het bestreden besluit van 4 februari 2011 wat betreft de terugkeer van eiseres als vrouw naar de DRC en verweerders weigering om eiseres een verblijfsvergunning op voormelde grond te verlenen, reeds daarom kan worden getoetst. De rechtbank overweegt dat, gelet op de wijdverbreidheid van het seksuele geweld tegen vrouwen in de DRC dat in de periode van juni 2008 tot en met mei 2009 reeds epidemische vormen had aangenomen en welk geweld blijkens het algemeen ambtsbericht van juli 2011 nog steeds grootschalig is en in alle delen van het land voorkomt, niet zonder meer valt in te zien dat onderscheid gemaakt kan worden tussen de risico’s die verschillende (groepen van) vrouwen lopen. Verweerder heeft dit vermeende onderscheid ook overigens onvoldoende gemotiveerd. Het standpunt van verweerder dat van belang is dat het asielrelaas van eiseres ongeloofwaardig is bevonden en dat geen geloof wordt gehecht aan de stelling van eiseres dat zij geen familieleden in de DRC heeft, volgt de rechtbank niet nu uit verweerders beleid als verwoord in paragraaf C24/8 VC 2000 niet voortvloeit dat de uitkomst van de beoordeling van het asielrelaas van de vreemdeling in dit kader ter zake doet. De rechtbank overweegt dat uit het voornemen van 11 oktober 2010, het bestreden besluit noch het verhandelde ter zitting duidelijk blijkt welke individuele omstandigheden van belang zijn voor de beoordeling of een vrouw de vrees voor seksuele geweldpleging in de DRC aannemelijk heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook onvoldoende gemotiveerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling welke in strijd zal zijn met artikel 3 EVRM. Daarbij komt dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank hierbij onvoldoende acht heeft geslagen op de stelling van eiseres dat niet van haar verlangd mag worden dat zij als alleenstaande moeder en getraumatiseerde vrouw tezamen met haar minderjarige kind terugkeert naar haar land van herkomst.

Rechters

Advocaten

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.