ECLI:NL:RBSGR:2011:BU2787
Rechtbank 's-Gravenhage · 25-10-2011 · zaaknummer AWB 11/9826
Inhoudsindicatie
beleid verweerder inzake vrees voor vervolging in geval homoseksualiteit, motiveringsgebrek De rechtbank constateert dat paragraaf C2/2.10.2 van de Vc 2000 omtrent de vervolging van homoseksuelen enerzijds spreekt van het aannemelijk maken dat de asielzoeker persoonlijk een gegronde reden heeft om te vrezen voor vervolging, terwijl anderzijds van personen met een homoseksuele voorkeur niet wordt verlangd dat zij deze voorkeur bij terugkeer verbergen. De rechtbank begrijpt dit beleid aldus dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij gegronde vrees heeft vervolgd te worden als hij zijn seksuele geaardheid na terugkeer niet verborgen houdt. Nu eiser heeft gesteld dat hij zijn geaardheid in het verleden verborgen heeft gehouden en slechts op heimelijke wijze contacten kon onderhouden, kon verweerder niet volstaan met de constatering dat eiser in het verleden geen problemen heeft ondervonden zodat niet in te zien valt waarom hij die bij terugkeer wel zou ondervinden. Verweerder had ofwel moeten motiveren waarom het geen strijd oplevert met het beleid als van eiser wordt verwacht dat hij, net als voor zijn vertrek, heimelijk relaties zou aangaan. Ofwel had verweerder moeten motiveren dat iemand die in de VAE minder heimelijk zijn homoseksualiteit uit dan eiser heeft gedaan, nog geen gegronde vrees voor vervolging heeft. Nu verweerder beide heeft nagelaten, is het besluit onvoldoende gemotiveerd. In hetgeen ter zitting nader is aangevoerd door verweerder ziet de rechtbank geen aanleiding de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Het beroep van verweerder ter zitting op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 11 mei 2011 (JV 2011, 307) slaagt niet. De rechtbank overweegt dat uit die uitspraak niet blijkt dat daarbij bovengenoemd beleid is betrokken, terwijl die uitspraak daarnaast zag op een vrouw uit Sierra Leone, en niet nader is onderbouwd in hoeverre de positie van homoseksuelen in dat land vergelijkbaar is met die van homoseksuelen in de VAE. Daarbij wijst de rechtbank nog op de antwoorden van 29 november 2006 van de toenmalige Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie op vragen van het Kamerlid Lambrechts (Kamervragen 2006-2007, nr. 394, Tweede Kamer). Verweerder kan verder worden gevolgd in het standpunt dat de strafbaarstelling van homoseksualiteit onvoldoende is voor het aannemen van vluchtelingenschap indien blijkt dat in de praktijk geen straffen worden opgelegd. Ook kan verweerder worden gevolgd in het, in het beleid opgenomen, standpunt dat voor het vluchtelingschap sprake moet zijn van een bestraffingsmaatregel van een zeker gewicht. In dit geval is echter door eiser gemotiveerd betoogd dat in de VAE daadwerkelijk aanzienlijke (gevangenis) straffen worden opgelegd voor homoseksualiteit. Waarom in dat geval op grond van het beleid nog niet zou moeten worden gesproken van vervolging van homoseksuelen, behoeft naar het oordeel van de rechtbank nog een nadere toelichting.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
