ECLI:NL:RBSGR:2011:BT1664
Rechtbank 's-Gravenhage · 14-09-2011 · zaaknummer 11/28138
Inhoudsindicatie
Uit de bewoordingen van artikel 7, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn volgt dat uitgangspunt is dat in het terugkeerbesluit een passende termijn van zeven tot dertig dagen wordt vastgesteld, tenzij in de nationale wetgeving is bepaald dat deze termijn alleen op aanvraag van de betrokken onderdaan van een derde land wordt toegekend. Uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 59, derde lid, en artikel 62, derde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 volgt, dat de vreemdeling die voorafgaand aan zijn binnenkomst in Nederland geen rechtmatig verblijf heeft gehad Nederland onmiddellijk dient te verlaten en in bewaring kan worden gesteld, tenzij hij te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hiertoe voor hem ook de gelegenheid bestaat. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan op grond van een richtlijnconforme interpretatie in deze bepalingen, in onderling verband bezien, een wettelijke grondslag worden gevonden voor het alleen op aanvraag van de illegale vreemdeling toekennen van een passende termijn voor vrijwillig vertrek als bedoeld in artikel 7, eerste lid, tweede volzin, van de Terugkeer¬richtlijn. Nu verzoekster, naar ook blijkt uit het proces-verbaal van gehoor op grond van artikel 59 van de Vw 2000, vóór het uitreiken van het terugkeerbesluit uitdrukkelijk heeft verklaard dat zij niet terug wil naar haar land van herkomst en niet uit Nederland wil vertrekken, heeft verweerder in overeenstemming met de Terugkeerrichtlijn grond gezien om een termijn voor vrijwillig vertrek achterwege te laten. Nu verzoekster ook in het vertrekgesprek op 5 september 2011 te kennen heeft gegeven in Nederland te willen blijven en zij ter zitting van de voorzieningenrechter van dit standpunt niet is teruggekomen en verweerder aan de beslissing op bezwaar alsnog deze aspecten aan het niet gunnen van een termijn voor vrijwillig vertrek ten grondslag kan leggen, heeft het bezwaar naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen. Voor het geval verweerder verzoekster niet in kennis heeft gesteld van de mogelijkheid tot indiening van een verzoek als bedoeld in artikel 7, eerste lid, derde volzin, van de Terugkeerrichtlijn, merkt de voorzieningenrechter op dat verzoekster, gelet op haar uitdrukkelijke verklaring Nederland niet te willen laten waarvan zij tijdens het vertrekgesprek en ter zitting van de voorzieningenrechter niet is teruggekomen, hierdoor niet in haar belangen is geschaad.
Rechters
Advocaten
- D.S. Asarfi
- W.L.C. Rijk
Partijen
Minister voor Immigratie en Asiel
verweerder · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
