Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ9993

Rechtbank 's-Gravenhage · 23-06-2011 · zaaknummer Awb 10/23999 BEPTDN/BE

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank is het aan verweerder, die het vestigingsalternatief tegenwerpt, om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden vermeld in WBV 2010/18 is voldaan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in Centraal- en Zuid-Somalië geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, zodat niet kan worden aangenomen dat voldaan is aan de in WBV 2010/18 onder a opgenomen voorwaarde dat eiseres in Centraal- en Zuid-Somalie geen gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico op folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Verweerder heeft, ter onderbouwing van zijn standpunt dat in Centraal- en Zuid-Somalië geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, verwezen naar WBV 2010/19, het algemeen ambtsbericht Somalië van september 2010 en naar de uitspraken van de ABRS van 9 en 10 september, 25 november en 16 december 2010 (LJN-nummers BN6722, BN6714, BN6705, BN7315, BO6339 en BO8940) over gebieden in Centraal- en Zuid-Somalië en artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. De rechtbank stelt vast dat in het WBV 2010/19 niet nader wordt gemotiveerd waarom in Centraal- en Zuid-Somalië geen sprake is van een situatie als vermeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Verwezen wordt naar het algemeen ambtsbericht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op basis van deze informatie niet tot het standpunt kunnen komen dat in Centraal- en Zuid-Somalië geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Ook de uitspraken van de ABRS waarnaar verweerder heeft verwezen rechtvaardigen die conclusie niet, reeds omdat het in de zaken die tot die uitspraken hebben geleid, aan de vreemdeling was om aannemelijk te maken dat zich een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn voordeed en de vreemdeling dat in die zaken volgens de ABRS niet aannemelijk had weten te maken. Zoals in rechtsoverweging 2.11 van deze uitspraak is overwogen, is dit in de onderhavige zaak anders, omdat het bij het tegenwerpen van een vestigingsalternatief aan verweerder is om aannemelijk te maken dat er geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres op veilige wijze toegang tot Centraal- en Zuid-Somalië kan krijgen (voorwaarde b in WBV 2010/18). Daartoe overweegt de rechtbank dat ter zitting is komen vast te staan dat zowel het vliegveld als een gedeelte van de weg naar Afgoye ,waarvan eiseres volgens verweerder gebruik kan maken om Centraal- en Zuid-Somalië te bereiken, vallen binnen het gebied waar - ook volgens verweerder - sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Dit betekent dat ervan dient te worden uitgegaan dat iedere burger, en dus ook eiseres, aldaar een risico loopt op een ernstige bedreiging van het bestaan. Dat het vliegveld en genoemde weg volgens verweerder onder controle staan van TFG en AMISON maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder, door slechts te beoordelen of in Centraal- en Zuid-Somalië sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn en of een verblijf in Centraal- en Zuid-Somalië wegens de slechte humanitaire situatie in strijd is met artikel 3 van het EVRM een te beperkte uitleg heeft gegeven aan de in WBV 2010/18 onder c opgenomen voorwaarde dat eiseres zich in Centraal- en Zuid-Somalië kan vestigen en van haar redelijkerwijs verwacht kan worden dat zij in dat deel van het land verblijft. De door verweerder voorgestane uitleg zou meebrengen dat aan de in het beleid onder c opgenomen voorwaarde geen zelfstandige betekenis toekomt, aangezien de toetsing aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn en artikel 3 van het EVRM reeds plaatsvindt bij de vraag of voldaan is aan de voorwaarde vermeld onder a. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit niet de bedoeling zijn.

Advocaten

  • S.D. Lugt

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.