ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ4389
Rechtbank 's-Gravenhage · 26-04-2011 · zaaknummer AWB 09-5273
Inhoudsindicatie
Artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag / artikel 3 EVRM / geen procesbelang nu aan eiser een verblijfsvergunning regulier is verleend op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb Verweerder heeft de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel afgewezen op de grond dat ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag. Verweerder is nadien tot de conclusie gekomen dat artikel 3 EVRM zich duurzaam tegen de uitzetting van eiser verzet en het disproportioneel is om hem een verblijfvergunning te onthouden. Daarom heeft verweerder eiser uitgenodigd een verblijfsvergunning regulier aan te vragen. Eiser heeft deze aanvraag ingediend en verweerder heeft een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder aan eiser een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw had moeten verlenen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen procesbelang meer heeft. Een eventuele vernietiging van het bestreden besluit heeft tot gevolg dat verweerder opnieuw op de aanvraag van eiser moet beslissen. Artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, Vw staat dan echter aan het verlenen van een verblijfsvergunning asiel in de weg. Zolang eiser in het bezit is van de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan hij met het door hem ingestelde beroep niet bereiken dat aan hem - alsnog - een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verleend, maar loopt hij evenmin risico dat hij in strijd met artikel 3 EVRM zal worden uitgezet. Het betoog van eiser dat verweerder hem kennelijk niet langer het bepaalde in artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag tegenwerpt, nu aan hem een verblijfsvergunning regulier is verleend, hetgeen verweerder overigens bestrijdt, kan daaraan niet af doen. Eiser kan met het door hem ingestelde beroep evenmin bereiken dat de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier wordt ingetrokken. Anders dan eiser bepleit, biedt artikel 8:72, vierde lid, Awb geen grond om verweerder op te dragen de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier in te trekken. Het beroep richt zich immers niet tegen het besluit tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier. Het besluit waarbij aan eiser een verblijfsvergunning regulier is verleend kan evenmin worden aangemerkt als een wijziging van het bestreden besluit, waartegen het beroep op grond van de artikelen 6:18 jo. 6:19 Awb wordt geacht mede te zijn gericht, nu dat besluit niet is genomen op de asielaanvraag van eiser, maar eiser daartoe een zelfstandige aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier. Verweerder heeft daarop bij afzonderlijk besluit beslist. Voor zover eiser overigens meent dat verweerder aan hem geen verblijfsvergunning regulier had moeten verlenen, komt dat voor zijn eigen risico, nu eiser zelf een daartoe strekkende aanvraag heeft ingediend.
Rechters
Advocaten
- J.F. Huising
- M.J.A. Leijen
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
