Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ2526

Rechtbank 's-Gravenhage · 26-04-2011 · zaaknummer AWB 10/38692 (beroep) en AWB 10/38693 (voorlopige voorziening)

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Van eiser en zijn gezinsleden kan niet zonder meer worden gevergd dat zij het gezinsleven buiten Nederland voortzetten. De rechtbank benadrukt in dit verband ook dat het EHRM een zwaar gewicht toekent aan de belangen van het kind (uitspraak van 18 oktober 2006 in de zaak Üner tegen Nederland (nr. 46410/99, EHRC 2006/146) en uitspraak van 23 juni 2008 (nr. 1638/03, Maslov tegen Oostenrijk («JV» 2008/267)). De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit er geen blijk van heeft gegeven dat aan de belangen van de kinderen, met name het kind van de partner van eiser, een zwaar gewicht is toegekend, hetgeen artikel 8 van het EVRM, zoals volgt uit voornoemde rechtspraak van het EHRM, wel vereist. Hetgeen verweerder hierover in de bestreden beschikking heeft opgemerkt acht de rechtbank onvoldoende, mede gelet op het feit dat ook onder het Unierecht - dat verweerder ambtshalve behoort toe te passen - een zwaar gewicht wordt toegekend aan de belangen van het kind (zie onder meer artikel 20 van het VWEU en artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie) en uit de bestreden beschikking niet blijkt dat verweerder hieraan heeft getoetst. Gelet op al deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verweerder ontoereikend heeft gemotiveerd waarom in het onderhavige geval aan het belang van de Nederlandse staat een groter gewicht dient te worden toegekend dan aan het belang van eiser om in Nederland het familie- of gezinsleven uit te oefenen. De rechtbank is verder van oordeel dat de stelling van verweerder, dat er vanwege de uitkomsten van het onderzoek door het Ministerie van Buitenlandse Zaken (het individuele ambtsbericht) en de vals bevonden documenten terecht wordt getwijfeld aan de identiteit en nationaliteit van eiser, niet zonder meer overtuigt. Daarbij acht de rechtbank van belang dat van een geldig paspoort, dat op regelmatige wijze is afgegeven, een sterke bewijskracht uitgaat en dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom dit paspoort ter zijde zou kunnen worden geschoven of waarom het van minder gewicht zou zijn dan het individuele ambtsbericht. Trefwoorden: regulier, Rwanda, 8 EVRM, belangenafweging, belang van het kind. Wetsartikelen: 8 EVRM, 3:46 Awb

Rechters

Advocaten

  • W. Boelens

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.