ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ2080
Rechtbank 's-Gravenhage · 27-01-2011 · zaaknummer 10/37306 & 10/37307
Inhoudsindicatie
Uit paragraaf 4.2 van de in COM 2009, 313 neergelegde richtsnoeren inzake Richtlijn 2004/38 blijkt dat lidstaten onder bepaalde omstandigheden individuele gevallen mogen onderzoeken wanneer er een gegrond vermoeden van misbruik of fraude bestaat. Gegeven de specifieke kenmerken in deze zaak en het feit dat verweerder in eerdere, vergelijkbare zaken had vastgesteld dat sprake was schijnhuwelijken, heeft verweerder terecht gemeend dat er sprake was van een aanvraag met dezelfde kenmerken en heeft hij op basis daarvan mogen overgaan tot onderzoek. Op basis van de door eiser en referente afgelegde tegenstrijdige verklaringen met betrekking tot de manier waarop zij elkaar hebben ontmoet, de aanloop naar de huwelijksdag en de gebeurtenissen tijdens en na afloop van de huwelijksvoltrekking, kon verweerder concluderen dat sprake is van een schijnhuwelijk.
Rechters
Advocaten
- H.D. Streef
- L. Louwerse
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
de minister van Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de minister van Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
