ECLI:NL:RBSGR:2011:BP8874
Rechtbank 's-Gravenhage · 04-03-2011 · zaaknummer AWB 11/2075
Inhoudsindicatie
samenvatting: terugkeerbesluit, vovo Voor zover verzoeker gronden heeft aangevoerd met het oog op de rechtmatigheid van zijn bewaring, kunnen deze in de onderhavige procedure niet tot toewijzing van het verzoek leiden. Ten aanzien van de vreemdelingenbewaring is voorzien in een aparte procesgang, die in de Vw 2000 geregeld is. De voorzieningenrechter ziet geen ruimte om daarnaast ook in de onderhavige procedure een oordeel te geven over de rechtmatigheid van de bewaring. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het aan verzoeker uitgereikte terugkeerbesluit geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, nu dit besluit geen rechtsgevolgen in het leven roept, die niet reeds waren ontstaan na de meeromvattende beschikkingen die ten aanzien van het verblijfsrecht van verzoeker zijn genomen op 1 april 1999 en 22 december 2000. Het betoog van verzoeker dat de betreffende meeromvattende beschikkingen zouden zijn ‘uitgewerkt’, volgt de voorzieningenrechter niet, nu niet gebleken is dat verweerder ten aanzien van het verblijfsrecht van verzoeker na 22 december 2000 een andersluidend besluit genomen heeft. Dat verzoeker ten tijde van de eerste beschikking Nederland vrijwillig zou hebben verlaten en na de tweede beschikking een mislukte poging heeft plaatsgevonden om verzoeker uit te zetten, maakt het voorgaande niet anders, nu daardoor immers geen rechtmatig verblijf kan ontstaan. Ten overvloede vermeldt de voorzieningenrechter dat evenmin is gebleken dat verzoeker op het moment van de zitting in Nederland mocht verblijven in afwachting van een beslissing op een aanvraag voor een vergunning tot verblijf. Los van de vraag of het terugkeerbesluit als feitelijke handeling, bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 kan worden aangemerkt, brengt het terugkeerbesluit in de onderhavige procedure geen rechtens relevante wijziging in de situatie van verzoeker. Het terugkeerbesluit reikt immers niet verder dan de conclusie dat verzoeker gehouden is om Nederland onmiddellijk te verlaten. Deze verplichting vloeide voor verzoeker reeds voort uit de hierboven genoemde meeromvattende beschikkingen. Ook als geoordeeld zou worden dat een terugkeerbesluit in dit geval noodzakelijk zou zijn voor de inbewaringstelling van verzoeker, heeft dit niet tot gevolg dat er wel sprake zou zijn van een rechtens relevante handeling jegens verzoeker, nu het terugkeerbesluit geen element bevat dat niet reeds voortvloeit uit de eerdere meeromvattende beschikkingen.
Rechters
Advocaten
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
