Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO7602

Rechtbank 's-Gravenhage · 26-11-2010 · zaaknummer AWB 09/39909, AWB 09/39910, AWB 09/39912, AWB 09/39913, AWB 09/39915

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Eisers hebben aan hun aanvraag ten grondslag gelegd dat zij zich ruim negen jaar in Nederland bevinden en dat zij volledig zijn verwesterd. Voorts vreest het gezin van twee kanten voor eerwraak. Aan de ene kant via een neef van eiseres die is gescheiden van zijn vrouw. Eisers hebben een kopie van het Weense echtscheidingsvonnis overgelegd. Het tweede geval van eerwraak komt via eisers broer. Eisers hebben ter ondersteuning van deze eerwraak onder meer de uitgeschreven dreigementen die op de voicemail zijn opgenomen overgelegd. Verweerder heeft de aanvraag op grond van artikel 4:6 van de Awb afgedaan: verzoekers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de eerwraak niet eerder kon worden aangevoerd, noch dat zij door hun verwestering een reëel risico lopen op een behandeling als genoemd in artikel 3 van het EVRM indien zij zich conformeren. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat het gezin onweersproken is verwesterd. Toetsend aan het beleid en met inachtneming van hetgeen terzake van de kopie van het echtscheidingsvonnis is overwogen, overweegt de rechtbank dat de door eisers inzake de eerste eerwraak gestelde omstandigheden zijn opgekomen nadat de laatste afwijzende asielaanvraag in rechte is vast komen te staan. Zij kunnen voorts als voldoende omschreven worden aangemerkt om element te kunnen vormen in de vraag of sprake is van een risico in de zin van artikel 3 van het EVRM. De broer van eiser heeft ter zitting het betoog van eiser met betrekking tot de tweede eerwraak bevestigd. Transcripties van de gevoerde telefoongesprekken tussen de broer van eiser en de familie van diens echtgenote bevinden zich bij de stukken. Wederom toetsend aan het beleid komt hetgeen terzake van deze tweede eerwraak, eveneens opgekomen nadat de laatste afwijzende asielbeslissing in rechte is vast komen te staan, de rechtbank voor als eveneens voldoende omschreven om element te kunnen vormen in de vraag of voor eisers sprake is van een risico van artikel 3 van het EVRM. De rechtbank slaat voorts acht op rechtsoverweging 55 van het arrest van het EHRM van 20 juli 2010 in de zaak van N. tegen Zweden en overweegt dat het onomkeerbare karakter van artikel 3 van het EVRM van de zijde van verweerder een rigorous scrutiny vergt. In het licht van hetgeen is overwogen, tezamen en in onderling verband bezien, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het onderhavige geval onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de aanvragen van eisers dienden te worden afgewezen op de grond dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

Rechters

Advocaten

  • F.S. van Nierop

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • Minister van Justitie

    verweerder · overheid

Overheidspartijen

  • Minister van Justitie

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.