ECLI:NL:RBSGR:2010:BO7221
Rechtbank 's-Gravenhage · 01-12-2010 · zaaknummer AWB 10-13243
Inhoudsindicatie
Intrekking verleende verblijfsvergunning d-grond. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder d, Vw, is komen te vervallen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het vermoeden van verzoeker dat hij ten gevolge van de geloofwaardig geachte feiten / nieuwe asielmotieven of omstandigheden gegronde vrees voor vervolging heeft, niet voldoende is geobjectiveerd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het enkele feit dat zijn moeder het Zaradashti geloof aanhangt en eiser op dit moment zelf geen geloof aanhangt, reeds voldoende is om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Irak te vrezen heeft voor vervolging dan wel een reëel risico loopt op een door artikel 3 EVRM verboden behandeling. In verband met het feit dat eiser eerst in beroep op die bepaling heeft gedaan, heeft verweerder heeft zich eerst ter zitting op het standpunt gesteld dat eiser geen geslaagd beroep kan doen op artikel 15, aanhef en onder c van de Definitierichtlijn. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt onder meer verwezen naar een uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2010 (201000166/1), waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat uit het rapport van de UNHCR van april 2009 noch uit het algemeen ambtsbericht inzake Irak blijkt dat de veiligheidssituatie in Bagdad - waar eiser ook vandaan komt - zodanig is dat elke vreemdeling die terugkeert naar dat gebied louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel en voorzienbaar risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM en daarmee artikel 15, aanhef en onder c van de Definitierichtlijn. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2010 (201000166/1) alsmede de uitspraken van de Afdeling 5 januari 2010 (LJN: BK9629) en 15 maart 2010 (200908063/1), waarin wordt verwezen naar het arrest van het EHRM van 20 januari 2009 in de zaak FH tegen Zweden (JV 2009/74), is de rechtbank van oordeel dat ten tijde van het bestreden besluit geen sprake was van een uitzonderlijke situatie in Bagdad. In de brieven van 22 oktober 2010 en 3 november 2010 van het EHRM ziet de rechtbank geen grond voor een ander oordeel. Evenmin ziet de rechtbank in die brieven noch in het voormelde rapport van 29 oktober 2010 van het UNHCR grond voor het oordeel dat thans in Bagdad wel sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c, aanhef en onder c van de Definitierichtlijn
Rechters
Advocaten
- A.J. Hakvoort
- M.F. Kiers
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
minister van Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
minister van Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
