ECLI:NL:RBSGR:2010:BO4158
Rechtbank 's-Gravenhage · 16-11-2010 · zaaknummer Awb 10/14892
Inhoudsindicatie
Art 1F VLV; Khad/Whad ; nationale garde ; nova; 3 EVRM; onthouden verblijfsvergunning niet diproportioneel. Door een eerdere uitspraak in deze procedure is reeds door de rechtbank in rechte vastgesteld dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat op eiser artikel 1 (F) Vv van toepassing is. Indien en voor zover echter tijdens de bestuurlijke procedure die is voorafgegaan aan het thans bestreden besluit - dat is genomen na vernietiging van het eerdere besluit - nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen het bestreden besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. De rechtbank verwijst hiertoe naar de uitspraak van 9 juli 2010 van de AbRS (200908359/1/V1, LJN: BN1635, JV 2010/346). Ter onderbouwing van het beroep tegen het eerdere besluit heeft eiser ook reeds eerder een rapport van Giustozzi overgelegd, te weten een rapport van 6 maart 2006. Over dat rapport is in de uitspraak van 9 april 2009 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, een oordeel gegeven, welk oordeel in rechte vast staat. Het thans door eiser ingebrachte rapport van 15 februari 2009 van Giustozzi is uitgebracht op verzoek van de gemachtigde van eiser. Niet valt in te zien waarom eiser dit verzoek niet ter onderbouwing van het beroep tegen het besluit van 4 januari 2006 heeft kunnen doen. Niet in geschil is dat artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting van eiser naar Afghanistan. De door eiser in dit kader aangevoerde omstandigheden, waaronder de afhankelijkheid van eiser van zijn gezin, het niet in staat zijn een bijdrage te leveren aan het levensonderhoud van zijn gezin en de gestelde psychische schade bij eiser en de medische situatie van zijn zoon, heeft verweerder in redelijkheid niet als bijzondere omstandigheden hoeven aanmerken die tot disproportionaliteit leiden. Onder verwijzing naar de eerder uitspraak van de AbRS van 12 november 2007 (200703870/1; LJN: BB8500, JV 2008/16) is de rechtbank van oordeel dat de in het algemeen geldende scheiding tussen enerzijds gronden die aanspraak geven op een verblijfsvergunning asiel en anderzijds gronden die aanspraak geven op een verblijfsvergunning regulier, er niet aan in de weg staat het beroep op artikel 8 EVRM te betrekken bij de beoordeling of het onthouden van enige verblijfstitel, zonder op voorzienbare termijn over te gaan tot uitzetting uit Nederland, disproportioneel is. Nu eiser bij zijn gezin zal kunnen blijven, is geen sprake van een inbreuk op het gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Voor zover eiser zich beroept op respect voor het privé-leven, bedoeld in artikel 8 EVRM, overweegt de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de AbRS van 12 november 2007 dat dit recht niet zo ver strekt dat op grond daarvan toelating moet worden verleend aan een vreemdeling ten aanzien van wie verweerder artikel 1 (F) Vv heeft toegepast. Hoewel de rechtbank de problemen onderkent die eiser stelt te ondervinden nu hem geen verblijfsvergunning wordt verleend, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat zijn levensomstandigheden dermate ernstig zijn dat sprake is van een vernederende behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. Door het onthouden van een verblijfsvergunning aan eiser wordt deze verdragsbepaling niet geschonden.
Rechters
Advocaten
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
