ECLI:NL:RBSGR:2010:BO0442
Rechtbank 's-Gravenhage · 02-09-2010 · zaaknummer AWB 10/894 IB/PVV
Inhoudsindicatie
Eiser was in gemeenschap van goederen gehuwd. Hij was samen met zijn ex-echtgenote eigenaar van een woning. De hypotheekschuld stond op naam van eiser en zijn ex-echtgenote. In 2005 is eiser in een huurwoning gaan wonen en is de ex-echtgenote in de woning blijven wonen. In 2006 is het huwelijk van eiser ontbonden. In 2009 heeft de ex-echtgenote de volledige eigendom van de woning verkregen. De ex-echtgenote heeft de over 2006 verschuldigde hypotheekrente via haar bankrekening betaald. Zowel eiser als de ex-echtgnote hebben ieder de ter zake van de woning betaalde hypotheekrente volledig in aftrek gebracht. Aan eiser is een navorderingsaanslag opgelegd, waarbij de hypotheekrente-aftrek volledig is gecorrigeerd. De rechtbank beslist dat eiser op grond van artikel 3.121 Wet IB 2001 de helft van de verschuldigde hypotheekrente mag aftrekken. Vaststaat dat eiser en de ex-echtgenote gezamenlijk eigenaar zijn van de woning en dat ieder van hen hoofdelijk aansprakelijk is voor de op de woning betrekking hebbende schuld. Dit brengt mee dat ieder van hen voor de helft draagplichtig is met betrekking tot die schuld. Gesteld noch gebleken is dat er afspraken zijn gemaakt tussen eiser en de ex-echtgenote over een afwijkende interne draagplicht ten aanzien van de voldoening van de hypotheekrente. De omstandigheid dat de ex-echtgenote de volledige rente op de lening heeft betaald brengt mee dat zij door deze betaling voor het gedeelte dat eiser daarin moest bijdragen, ten bedrage van (3.649,20 : 2 =) € 1.824,60 een regresvordering op eiser verkreeg (art. 6:10, lid 2, BW). De rechtbank acht aannemelijk dat dit bedrag ten laste van eiser is gekomen of nog zal komen. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Gesteld noch gebleken is dat de ex-echtgenote afstand heeft gedaan of nog zal doen van haar regresvordering. Eiser heeft onweersproken gesteld dat hij in 2006 reeds een bedrag van € 1.000 aan zijn ex-echtgenote heeft voldaan ter voldoening van de rente en dat hij de eigenaarslasten/gemeentelijke heffingen van de woning heeft betaald. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de rentebetaling voor een gedeelte, groot € 1.824,60 op eiser drukt en in zoverre in mindering komt op de tot zijn inkomen uit werk en woning te rekenen voordelen uit de woning (vgl. Hoge Raad 8 september 2006, nr. 41 273, LJN: AS8020, BNB 2007/90, en Hoge Raad 28 juni 1972, nr. 16 822, LJN: AY4391, BNB 1972/176). De rechtbank verwerpt eveneens de stelling van verweerder dat het deel van de rente dat de ex-echtgenote boven haar aandeel in de hypotheekschuld heeft betaald als een alimentatiebetaling aan eiser is aan te merken. Gesteld noch gebleken is dat eiser in het onderhavige jaar niet in zijn eigen levensonderhoud kon voorzien. Eisers inkomen was, naar verweerder ter zitting heeft erkend, ongeveer gelijk aan dat van zijn ex-echtgenote. Voorts heeft eiser onweersproken gesteld dat er geen partneralimentatie is vastgesteld. Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake van een door de ex-echtgenote gedane bijdrage die rechtstreeks voortvloeit uit het familierecht, welke strekte ter bekostiging van het levensonderhoud van eiser.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
