ECLI:NL:RBSGR:2007:BC6697
Rechtbank 's-Gravenhage · 19-10-2007 · zaaknummer AWB 06/9660 IB/PVV
Inhoudsindicatie
Eiser koopt in 1975 een woning met geleend geld. Omdat hij zijn verplichtingen jegens de bank niet nakomt, wordt de woning in 1981 executoriaal verkocht. Na verrekening van de verkoopopbrengst met de door eiser aan de bank verschuldigde bedragen, is eiser nog een substantieel bedrag aan de bank verschuldigd (de restantschuld). In 2004 betaalt eiser € 10.000 ter 'finale kwijting'. Partijen zijn het erover eens dat dit bedrag uitsluitend betrekking heeft op achterstallige rente. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de restantschuld na de executoriale verkoop niet (langer) betrekking op een eigen woning. De rente op de restantschuld behoorde van meet af aan niet tot de rente van schulden, kosten van geldlening daaronder begrepen, in de zin van artikel 42 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en nadien artikel 3.120 van de Wet inkomstenbelasting 2001. De betaling van € 10.000 komt niet in mindering op het inkomen uit werk en woning.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Belastingdienst te [P]
verweerder · overheid
Overheidspartijen
Belastingdienst te [P]
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
