ECLI:NL:RBSGR:2007:BC3881
Rechtbank 's-Gravenhage · 03-12-2007 · zaaknummer AWB 07/ 32386
Inhoudsindicatie
Vo 343/2003 / Griekenland / interstatelijk vertrouwensbeginsel / infringementprocedure Verzoeker heeft een asielaanvraag ingediend die is afgewezen omdat Griekenland, op grond van Vo 343/2003, verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Verzoeker heeft betoogd dat verweerder niet zonder meer op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan aannemen dat Griekenland zijn verdragsverplichtingen op grond van het Vluchtelingenverdrag en het EVRM zal naleven. Daartoe heeft verzoeker verwezen naar verschillende algemene stukken betreffende de Griekse asielprocedure op de omstandigheid dat de Europese Commissie (EC) aanleiding heeft gevonden onderzoek te doen naar de mate waarin de Griekse autoriteiten uitvoering geven aan hun verdragsverplichtingen uit hoofde van Vo 343/2003. Verweerder heeft aangevoerd dat verzoeker slechts algemene stukken heeft overgelegd, waarin geen op verzoeker persoonlijk betrekking hebbende feiten en omstandigheden zijn gelegen en, onder verwijzing naar de uitspraak van de ABRvS van 7 november 2007 (200706021/1) aangevoerd dat het enkele in gang zetten van de inbreukprocedure niet kan worden aangemerkt als een zodanig concreet gegeven dat op grond daarvan moet worden geoordeeld dat Griekenland de op hem rustende verplichtingen niet eerbiedigt. Daarbij heeft verweerder er voorts op gewezen dat Griekenland in het claimakkoord uitdrukkelijk heeft aangegeven dat verzoeker in Griekenland in staat zal worden gesteld een asielaanvraag in te dienen. De voorzieningenrechter acht het onbevredigend dat inhoudelijk niets bekend is over de inbreukprocedure waarvan de uiteindelijke uitkomst van groot belang zou kunnen zijn voor haar oordeel. Zij acht het zeker niet denkbeeldig, met name gezien de reeks van publicaties waarin wordt gesteld dat de Griekse asielprocedure niet aan de Europese normen voldoet, dat Griekenland de verschillende verdragsverplichtingen niet naleeft en het beginsel van non-refoulement niet eerbiedigt, dat de zorgen van de EC juist op deze onderwerpen betrekking hebben. Daarom weegt zij, in combinatie met de hierboven aangehaalde concrete omstandigheden van verzoeker en in combinatie met bovengenoemde kritische rapporten bij haar voorlopig oordeel ook de aanhangige inbreukprocedure mee. Op grond van het vorenstaande heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat het beroep een redelijke kans van slagen heeft en de voorlopige voorziening toegewezen.
Rechters
Advocaten
- T. H. Meeuwis
Partijen
[verzoeker]
verzoeker · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
