ECLI:NL:RBSGR:2007:BC2933
Rechtbank 's-Gravenhage · 07-12-2007 · zaaknummer AWB 07/14228, 07/16271, 07/15239, 07/26145
Inhoudsindicatie
Rvb / pas op de plaats-beleid / geen rechtmatig verblijf / IVRK / zorgplicht Eisers zijn allen minderjarig en behoren tot (kinderen van) de categorie vreemdelingen die ogenschijnlijk voldoen aan de objectieve criteria van de Pardonregeling die op 15 juni 2007 als de ‘Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet (oud)’ in werking is getreden. Eisers hebben geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder g of h, Vw 2000 en evenmin op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, Vw 2000. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eisers zich materieel in een situatie bevinden die op één lijn te stellen is met de situatie als geschetst door de Centrale Raad van Beroep (hiena: CRvB) in de uitspraak van 24 januari 2006 (LJN: AV0197), waarin de CRvB heeft geoordeeld dat hoewel de Nederlandse Staat de kinderen van de desbetreffende vreemdelingen niet tot zijn grondgebied heeft toegelaten, hij welbewust heeft aanvaard dat zij gedurende een zekere tijd in Nederland verblijven en waaruit volgens de CRvB volgt dat de Nederlandse Staat welbewust een zekere uit het IVRK voortvloeiende zorgplicht ten opzichte van die minderjarige vreemdelingen op zich heeft genomen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe dat op eisers het zogenaamde pas op de plaats-beleid van toepassing is als neergelegd in de brief van 7 december 2006 van de (toenmalige) Minister en als geaccordeerd in het kabinetsbesluit van 13 december 2006. Dit betekent dat, zoals de Staatssecretaris in het onderhavige geval ook heeft aangegeven, ten aanzien van eisers geen gedwongen uitzettingshandelingen worden verricht. Gedurende de periode waarin door de IND nog besloten moet worden of eisers in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van de Pardonregeling kan van hen in alle redelijkheid niet worden verwacht dat zij Nederland zelfstandig verlaten. Gelet op het kabinetsbesluit van 13 december 2006 dat het pas op de plaats-beleid zou blijven gelden tot aan het moment dat door de IND is vastgesteld of de desbetreffende vreemdeling al dan niet voldoet aan de voorwaarden van de Pardonregeling, is de rechtbank van oordeel dat in ieder geval vanaf dat moment de onderhavige minderjarige vreemdelingen zijn komen te verkeren in een situatie die niet wezenlijk afwijkt van de situatie van de minderjarige vreemdelingen waarover de CRvB heeft geoordeeld dat de Nederlandse Staat jegens hen een zekere uit het IVRK voortvloeiende zorgplicht heeft. Ook in de onderhavige gevallen heeft de Nederlandse Staat immers welbewust aanvaard dat minderjarige vreemdelingen, zoals eisers, gedurende een zekere periode in Nederland verblijven. Van belang is dat voor deze specifieke groep geldt dat het verblijf in de betreffende periode eerder vergelijkbaar is met legaal dan met illegaal verblijf en dat geen sprake is van een uitzichtloze maar afgebakende periode waarin eisers zich in deze situatie bevinden, te weten de tijd tot (ambtshalve) is beoordeeld of eisers onder de reikwijdte van de Pardonregeling vallen. De rechtbank ziet zich in zijn oordeel gesteund door de toelichting op de wijziging van artikel 2 van de Rvb, waarin de Minister van Justitie aangeeft dat hij zich de uit de hier besproken uitspraak van de CRvB voortvloeiende zorgplicht op grond van het IVRK heeft aangetrokken. Aangezien verweerder op grond van artikel 3 van de Wet COA de materiële en immateriële zorgtaken voor vreemdelingen opgedragen heeft gekregen, ligt het op de weg van verweerder om aan die zorgplicht uitvoering te geven. Verweerder heeft de verplichting die voor de Nederlandse Staat voortvloeit uit het IVRK ten aanzien van juist de specifieke categorie kinderen, waartoe eisers behoren, te beperkt uitgelegd en het had op de weg van verweerder gelegen om te beoordelen of eisers zich in een feitelijke situatie bevinden die vergelijkbaar is met de situatie als bedoeld door de CRvB. Door enkel te beoordelen of eisers voldoen aan de voorwaarden van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Rvb heeft verweerder de aan hem opgedragen zorgtaken te beperkt uitgevoerd. De bestreden besluiten zijn dan ook onzorgvuldig voorbereid en ontoereikend gemotiveerd en worden wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb vernietigd.
Rechters
Advocaten
- G. Turksema
- J.J.J. Jansen
- J.N. Mons
- W.P.R. Peeters
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
[eiseres]
eiseres · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
