ECLI:NL:RBSGR:2007:BC0638
Rechtbank 's-Gravenhage · 13-12-2007 · zaaknummer AWB 06/34143
Inhoudsindicatie
Asiel / Nuba / artikel 3 EVRM / Salah Sheekh Eiser, van Soedanese nationaliteit en behorend tot de Miri, substam van de Nuba-stam, heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde ingediend. Het beroep van eiser gericht tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is ongegrond, aangezien eiser op het moment dat het categoriaal beschermingsbeleid voor Soedan werd afgeschaft, eiser niet reeds drie jaar in het bezit is geweest van een vergunning op de d-grond. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft kunnen oordelen dat er op het moment van het slaan van de beschikking waarbij aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd werd verleend, te weten op 13 februari 2003, geen andere gronden uit hoofde van artikel 29 Vw bestonden om aan eiser een verblijfsvergunning te verlenen. Ten aanzien van de beoordeling van de situatie ten tijde van het bestreden besluit van 21 juni 2006 is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen reden is om aan te nemen dat eiser thans wel in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Ten aanzien van eisers beroep op de b-grond heeft de rechtbank in het licht van de uitspraak van het EHRM van 11 januari 2007 inzake Salah Sheekh vs. Nederland beslist het vooronderzoek te heropenen. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de bewoordingen van de brief van de Minister van Justitie aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 19 februari 2007, het verweerder op 14 maart 2007 niet vrijstond om, onder de enkele verwijzing naar het feit dat de uitspraak in de zaak Salah Sheekh nog geen kracht van gewijsde had wegens het verzoek van de Nederlandse regering om verwijzing naar de Grote Kamer, van enige inhoudelijke reactie af te zien. Met inachtneming van het toetsingskader als verstrekt door voormelde uitspraak van 11 januari 2007 acht de rechtbank zich thans gehouden vast te stellen dat verweerder in casu onvoldoende heeft gemotiveerd dat er voor eiser als lid van de Miri, onderdeel van de Nuba-stam, bij terugkeer naar zijn land van herkomst geen risico bestaat op schending van artikel 3 EVRM. Beroep gegrond.
Rechters
Advocaten
Partijen
Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie
verweerder · onbekend
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
