ECLI:NL:RBSGR:2007:BC0635
Rechtbank 's-Gravenhage · 05-12-2007 · zaaknummer AWB 07/10408
Inhoudsindicatie
Geloofwaardigheid asielrelaas / individueel ambtsbericht / bekeerde Iraanse christen / artikel 3 EVRM / WBV 2007/15 De rechtbank is van oordeel dat het verweer van eiser niet toereikend kan worden geacht om te kunnen worden gewaardeerd als meer dan kritische kanttekeningen bij het als deskundigenbericht aan te merken individueel ambtsbericht waar het besluit van verweerder op steunt. Weliswaar hebben de Italiaanse autoriteiten naar aanleiding van de Dublinclaim op 3 december 2003 gesteld dat een visumaanvraag van eiser bij hen niet bekend is, doch de rechtbank is van oordeel dat dit als tegenstrijdigheid met het ambtsbericht aan te merken gegeven nog onvoldoende is voor de conclusie dat er concrete aanknopingspunten zijn om aan voormeld ambtsbericht te twijfelen, gelet op het feit dat het Schengensysteem een ander resultaat heeft gegenereerd, gevoegd bij het gegeven dat zich in eisers verweer een zodanig aantal aannames bevindt dat de rechtbank indien zij eiser in dit betoog zou volgen buiten de aan haar in casu met betrekking tot de geloofwaardigheid van het asielrelaas gegunde toetsingsruimte zou treden. Zulks zowel met toepassing van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw als zonder tegenwerping van dit artikel. Daarentegen is de rechtbank, met inachtneming van het door eiser in beroep overgelegde nader gehoor van zijn broer –aan wie door vereerder in 1995 de vluchtelingenstatus is verleend - van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser niet voldoet aan de voorwaarde van WBV 2007/15, te weten dat voor Iraanse vreemdelingen die in Nederland zijn bekeerd tot het christendom geldt “dat zij op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw in aanmerking kunnen komen voor de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wanneer zij aannemelijk maken dat zij bekeerd zijn en dat zij al problemen hebben ondervonden om andere redenen dan de nieuwe geloofsovertuiging, die op zichzelf onvoldoende redenen vormen om een verblijfsvergunning asiel te verlenen”. De rechtbank acht daartoe redengevend het nader gehoor van de broer van eiser, daaronder de zinsnede dat de problemen van de familie zijn begonnen na de executie van de vader in 1984, alsook de ernst van de daarop volgende gebeurtenissen voor twee van de drie broers uit het zelfde van ketterij verdachte gezin, waarvan eiser de nakomer en de laatste man is, dit alles gevoegd bij het feit dat de relazen van beide broers met betrekking tot de data van de gebeurtenissen overeenstemmen. Gelet hierop kon verweerder ter onderbouwing van zijn standpunt dat eiser niet aan de voorwaarde van WBV 2007/15 heeft voldaan niet volstaan met de enkele stelling dat eisers relaas ongeloofwaardig is bevonden. Gelet op het absolute karakter van het recht op bescherming tegen refoulement op grond van artikel 3 van het EVRM waarvan de onderhavige voorwaarde immers de uitwerking is, is deze motivering ontoereikend. Het vorenstaande brengt mee dat ook verweerders stelling ter zitting dat eiser onvoldoende heeft gesteld om ten aanzien van juist hem het risico van schending van artikel 3 van het EVRM aanwezig te achten, geen doel treft. In dat verband overweegt de rechtbank tenslotte dat aan het enkele gegeven dat eiser - bij ongeloofwaardig bevinden van zijn asielrelaas - tot aan zijn vertrek uit Iran niets ernstigs is overkomen, gelet op de omvang van de door de overige mannelijke leden van het gezin ondergane problemen niet de gevolgtrekking kan worden verbonden die verweerder daar kennelijk aan wil verbinden, te weten dat eiser onvoldoende heeft gesteld om juist voor hem een risico op schending van artikel 3 van het EVRM te moeten aannemen.
Rechters
Advocaten
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Staatssecretaris van Justitie
verweerder · overheid
[eiser]
eiser · onbekend
Overheidspartijen
Staatssecretaris van Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
