ECLI:NL:RBSGR:2007:BC0085
Rechtbank 's-Gravenhage · 23-10-2007 · zaaknummer AWB 07/13096
Inhoudsindicatie
Mvv-aanvraag / gevaar voor de openbare orde / verstrekken onjuiste gegevens / pardonregeling / inherente afwijkingsbevoegdheid Verweerder heeft de mvv-aanvraag afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde. Eiseres heeft in haar asielprocedure een onjuiste geboortedatum opgegeven. Verweerder heeft vervolgens aangifte gedaan wegens oplichting, waarvoor zij uiteindelijk is veroordeeld tot 60 uren werkstraf. Dit is een uitzonderlijke situatie. De rechtbank stelt voorts vast dat de discussie omtrent het zogenoemde generaal pardon inmiddels is uitgekristalliseerd en dat het beleid van de Staatssecretaris van Justitie is dat het eenmalig hebben verstrekt van onjuiste gegevens niet aan vergunningverlening in de weg staat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in deze procedure beter moeten motiveren waarom in dit specifieke geval het tegenwerpen van de strafrechtelijke veroordeling, die ontegenzeggelijk het rechtstreekse gevolg is geweest van het verstrekken van een onjuiste geboortedatum, zo opportuun is. Dit klemt temeer nu de discussie over de voorwaarden waaraan een vreemdeling zou moeten voldoen om voor een verblijfsvergunning op grond van het generaal pardon in aanmerking te komen volop in gang was en dat vreemdelingen die mogelijk onder deze regeling vielen niet gedwongen werden uitgezet. De stelling van verweerder ter zitting dat hetgeen in deze procedure is aangevoerd met betrekking tot het generaal pardon in deze zaak geen rol kan spelen, omdat in onderhavige zaak niet de Staatsecretaris van Justitie maar de Minister van Buitenlandse Zaken verweerder is, volgt de rechtbank niet. De rechtbank overweegt daartoe dat inderdaad het Ministerie van Buitenlandse zaken in onderhavige procedure verweerder is, maar dat de discussie ook niet gaat om het al dan niet hebben moeten verlenen van een zogenoemde pardonvergunning, maar over de vraag of verweerder, gelet op de door eiseres als bijzondere omstandigheden genoemde voorwaarden van de pardonregeling, gebruik had moeten maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid. Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in dit specifieke geval geen aanleiding bestond om met gebruikmaking van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 Awb eiseres alsnog in het bezit te stellen van de door haar gevraagde mvv.
Rechters
Advocaten
- H.P. Kallenbach
- P.A.J. van Putten
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
