Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB9904

Rechtbank 's-Gravenhage · 29-11-2007 · zaaknummer AWB 07/42961

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Asiel / vernietiging besluit / terugwerkende kracht / rechtmatig verblijf Op 16 februari 2005 heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Deze asielaanvraag is afgewezen bij besluit van 10 juli 2006. Eiser is op 27 augustus 2007 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, onder a. Op 26 september 2007 - terwijl eiser in bewaring was gesteld - is aan eiser het besluit van 10 juli 2006 uitgereikt. Bij uitspraak van 8 november 2007 heeft de rechtbank het besluit van 10 juli 2006 vernietigd. Uit de uitspraak blijkt dat het besluit van 10 juli 2006 niet voor 26 september 2007 op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De rechtbank stelt vast dat het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag eerst op 26 september 2007 van kracht is geworden. In artikel 3:40 van de Awb is immers bepaald dat een besluit niet in werking treedt voordat het is bekendgemaakt. Gelet op het bepaalde in artikel 8, onder f, van de Vw 2000, in samenhang gelezen met artikel 3.1 van het Vreemdelingenbesluit 2000, brengt dit met zich dat eiser tot 26 september 2007 rechtmatig verblijf had in Nederland. Vanwege de inbewaringstelling had eiser na 26 september 2007 op grond van artikel 82, vierde lid, van de Vw 2000, echter geen rechtmatig verblijf meer. De vernietiging van het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag heeft niet tot gevolg dat eiser achteraf bezien onafgebroken rechtmatig verblijf heeft gehad. De vernietiging van het besluit tot afwijzing van de aanvraag brengt immers niet met zich dat dit besluit met terugwerkende kracht ongedaan is gemaakt. De rechtbank baseert zich in dit verband op onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 november 2007, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN nummer: BB8314. Volgens de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State maakt de inbewaringstelling op een onjuiste grondslag de bewaring echter eerst dan onrechtmatig als de voor die bewaring toegestane duur is overschreden. Nu door verweerder bij het nemen van het besluit op de aanvraag van eiser de voornemenprocedure als bedoeld in artikel 39 van de wet is gevolgd, geldt in dit geval een termijn van zes weken. Vanaf het moment van inbewaringstelling tot het in werking treden van het besluit tot afwijzing van de aanvraag, zijn vier weken en twee dagen verstreken. Na de bekendmaking van de uitspraak tot vernietiging van het besluit tot afwijzing van de aanvraag, mocht de bewaring nog slechts 1 week en vijf dagen duren. Dit betekent dat de in artikel 59, vierde lid, van de Vw genoemde termijn sinds 22 november 2007 is overschreden en de bewaring vanaf die dag onrechtmatig is.

Advocaten

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • Staatssecretaris van Justitie

    verweerder · overheid

  • [eiser]

    eiser · onbekend

Overheidspartijen

  • Staatssecretaris van Justitie

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.