ECLI:NL:RBSGR:2007:BB9874
Rechtbank 's-Gravenhage · 27-11-2007 · zaaknummer AWB 07/41539
Inhoudsindicatie
Vreemdelingenbewaring / China / zicht op uitzetting / acht maanden In de uitspraak van 16 april 2007 (LJN: BA3690) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwogen dat de enkele omstandigheid dat de Chinese autoriteiten slechts in een gering aantal gevallen reisdocumenten verstrekken, op zich zelf niet betekent dat bij voorbaat moet worden aangenomen dat die autoriteiten ook niet bereid zijn een reisdocument te verstrekken indien de desbetreffende vreemdeling volledige en juiste informatie verstrekt en het door hen te verrichten onderzoek niet frustreert. Deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, heeft in de zaak met nummer AWB 07/38901 vragen gesteld aan verweerder betreffende het aantal afgegeven LP’s door de Chinese autoriteiten. Verweerder heeft daarop geantwoord bij brieven van 7 en 12 november 2007. De inhoud van deze brieven is in de onderhavige zaak door de rechtbank aan partijen toegezonden met het verzoek hierop te reageren. Uit voornoemde brieven blijkt dat in 2007 501 ingediende LP-aanvragen zijn gedaan en dat er 16 LP’s zijn verstrekt, waarvan in 2 gevallen geen documenten aanwezig waren. Daaruit concludeert de rechtbank dat slechts in een beperkt aantal gevallen LP’s worden afgegeven en dat er derhalve sprake is van een beperkt zicht op uitzetting. Dit betekent echter nog niet dat het onmogelijk is voor Chinese vreemdelingen, ook wanneer zij ongedocumenteerd zijn zoals in het geval van eiseres, om aan een reisdocument te komen. Uit voornoemde cijfers volgt bovendien dat bij beschikbaarheid van identiteitsdocumenten de mogelijkheid om een LP te verkrijgen toeneemt. Niet is gebleken dat eiseres voldoende pogingen heeft gedaan om aan identiteitsdocumenten te komen. Zij heeft twee keer getelefoneerd met de Chinese ambassade, maar zij heeft niet kunnen aantonen met wie zij gesproken heeft en waarom de Chinese ambassade haar, zoals zij aanvoert, niet zou kunnen helpen. Blijkens het vertrekgesprek van 8 november 2007 zou eiseres nogmaals de IOM contacteren, maar tot op heden is niet gebleken dat eiseres dit ook daadwerkelijk heeft gedaan. Gelet op het voorgaande wordt eiseres niet gevolgd in haar stelling dat er geen zicht op uitzetting is. Naar het oordeel van de rechtbank is thans, na ruim acht maanden, het moment aangebroken dat het belang van eiseres bij haar persoonlijke vrijheid dient te prevaleren. Hierbij is van belang de lange duur van de maatregel, te weten ruim acht maanden, alsmede het beperkte zicht op uitzetting op korte termijn, terwijl de mate van frustratie van de kant van eiseres niet dermate evident is dat de voortduring van de maatregel om die reden thans nog langer gerechtvaardigd is te achten. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiseres weliswaar niet al het mogelijke heeft gedaan om te komen tot vaststelling van haar identiteit en nationaliteit, maar wel heeft meegewerkt aan het in- en aanvullen van de LP-aanvraag.
Rechters
Advocaten
- B.W.M. Toemen
- I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET
- K.E.V.M.P. van der Velde
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Staatssecretaris van Justitie
verweerder · overheid
[eiseres]
eiseres · onbekend
Overheidspartijen
Staatssecretaris van Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
