ECLI:NL:RBSGR:2007:BB9352
Rechtbank 's-Gravenhage · 25-10-2007 · zaaknummer AWB 07/3980
Inhoudsindicatie
Schadevergoeding Vordering tot schadevergoeding vanwege het niet tijdig verstrekken van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van tijdsverloop in de asielprocedure. De gestelde schade ziet op het niet kunnen beschikken over een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet c.q. het niet kunnen toetreden tot de arbeidsmarkt, alsmede op de terugbetaling van giften aan drie fondsen. Verder vordert eiser immateriele schadevergoeding (artikel 6:106, eerste lid, onder b, BW) en wettelijke rente (artikelen 6:119 en 6:120 BW). Aansluiting wordt gezocht bij het civielrechtelijke aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht. Ten aanzien van de gestelde schade vanwege het uitblijven van een ambtshalve beslissing is de rechtbank van oordeel -met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 24 augustus 2004 (AB 2006, 347)- dat het vereiste van processuele connexiteit meebrengt dat tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding op deze grond geen bezwaar openstaat, zodat verweerder het gemaakte bezwaar ten onrechte ontvankelijk heeft geacht. Het beroep is in zoverre gegrond en de rechtbank voorziet op dit punt ex artikel 8:72, vierde lid Awb zelf in de zaak door het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de gestelde schade vanwege het besluit van 14 juni 2000, waarbij een aanvraag buiten behandeling is gesteld, volgt de rechtbank de uitspraak van de Hoge Raad van 13 april 2007, JV 2007, 322 en de uitspraak van de AbRS van 20 juni 2007, JV 2007, 348 met betreking tot het relativiteitsvereiste. Nu de gestelde geschonden norm ten doel heeft om eiser rechtszekerheid te bieden omtrent zijn verblijfsstatus en de hem verleende verblijfsvergunning er niet toe strekt hem in staat te stellen inkomen te verwerven, heeft verweerder het verzoek om vergoeding van vermogenschade terecht afgewezen. Ten aanzien van de giften heeft voorts te gelden dat het ontbreken van een terugbetalingsverplichting maakt dat geen sprake is van door eiser geleden schade. Bovendien komt de materiele schade, en zulks geldt ook voor de gestelde schade in immateriele zin, voor rekening van eiser op gond van het bepaalde in artikel 6:106, eerste lid, BW, nu eiser niet heeft voldaan aan zijn schadebeperkingsplicht. Eiser heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen het besluit van 14 juni 2000, terwijl dit wel als een passende en in redelijkheid te verlangen maatregel ter voorkoming van de geleden schade is aan te merken. Het beroep wordt in zoverre ongegrond verklaard. Tegen dit laatste deel van de uitspraak is geen hoger beroep mogelijk, vanwege het ontbreken van deze rechtsgang tegen het beweerdelijk schadeveroorzakende besluit (artikel 120 Vw 2000).
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie
verweerder · onbekend
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
