ECLI:NL:RBSGR:2007:BA7992
Rechtbank 's-Gravenhage · 17-04-2007 · zaaknummer Awb 06/1838
Inhoudsindicatie
Angola / Amv / TBV 1996/1 / zesmaandentermijn / frustreren opvang De rechtbank overweegt dat nu de aanvraag van eiseres dateert van 18 januari 2000 het ten tijde van de indiening van de asielaanvraag het in TBV 1996/1 en hoofdstuk B7/13 Vc (oud) neergelegde beleid van toepassing is. Voorts dient, gelet op artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder c, en tweede lid, Vb 2000 en TBV 1996/1, in beroep bij de boordeling te worden betrokken of in de beschikking door verweerder geen feiten en omstandigheden aan eiseres zijn tegengeworpen, die zich hebben voorgedaan na het verstrijken van een periode van drie jaar, terwijl in die periode door eiseres (mogelijk) steeds aan de voorwaarden voor verlening van een amv-vergunning is voldaan. In het geval dat binnen zes maanden na indiening van de aanvraag niet vast is komen te staan dat er voor de minderjarige in het land van herkomst adequate mogelijkheid tot opvang redelijkerwijs is gewaarborgd en deze tevens onder voogdij van een voogdijinstelling is gesteld, wordt de minderjarige ingevolge TBV 1996/1 in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de ongeloofwaardige en tegenstrijdige verklaringen van de oudere zus van eiseres niet aan eiseres kunnen worden tegengeworpen. Daarnaast acht de rechtbank het onzorgvuldig en in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel dat verweerder eerst na zes jaar na het indienen van de aanvraag de ongeloofwaardige en tegenstrijdige verklaring van de zus aan eiseres tegenwerpt. Niet kan in redelijkheid worden gezegd dat eiseres ten tijde van het indienen van de aanvraag op 18 januari 2000 dan wel op enig moment daarna het onderzoek naar adequate opvang in Angola heeft gefrustreerd. Voorts is overwogen dat verweerder niet zonder nader onderzoek, zo nodig naar andere adequate opvang als voorgeschreven in TBV 1996/1, heeft mogen aannemen dat in het land van herkomst adequate opvang aanwezig is. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is de in TBV 1996/1 neergelegde verplichting voor verweerder, om binnen zes maanden zich ervan te vergewissen dat in het land van herkomst adequate opvang redelijkerwijs is gewaarborgd, niet aan te merken als fatale termijn. Verweerder heeft eerst na negentien maanden een eerste beslissing op de aanvraag genomen, terwijl in die periode geen onderzoek naar adequate opvang door ouders, aanverwante dan wel plaatselijke welzijnsinstellingen heeft plaatsgevonden. Deze gang van zaken staat haaks op de ratio van de zesmaandentermijn. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het de vraag is of verweerder de aanwezigheid van opvang in redelijkheid aan eiseres kan tegenwerpen nu de mogelijkheid van opvang in het opvanghuis te Mulemba ten tijde van aanvraag en gedurende drie jaar nadien nog niet aan de orde was. Verwezen is naar TBV 2003/63, in werking getreden op 1 januari 2004. Het tegenwerpen van de aanwezigheid van adequate opvang in Mulemba is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Beroep gegrond wegens schending van de artikelen 3:2 en 3:46 Awb en het rechtszekerheidsbeginsel.
Rechters
Advocaten
- M. Grimm
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
