ECLI:NL:RBSGR:2007:BA7988
Rechtbank 's-Gravenhage · 15-06-2007 · zaaknummer AWB 06/50182
Inhoudsindicatie
Artikel 6, eerste lid, van het Associatiebesluit 1/80 / intrekking verblijfsvergunning met terugwerkende kracht / legale arbeid Het geschil spitst zich toe tot de vraag of eiser verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 6, eerste lid, eerste liggende streepje, van het Besluit 1/80. In het bijzonder dient in dit kader de vraag te worden beantwoord wat voor betekenis moet worden gehecht aan het naar nationaal recht intrekken met terugwerkende kracht van een op grond van het nationale recht verleende verblijfsvergunning. De rechtbank stelt vast dat in rechte vaststaat dat eiser met terugwerkende kracht vanaf 1 december 2003 niet langer beschikte over een geldige vergunning tot verblijf bij partner en voor het verrichten van arbeid gedurende dat verblijf. Niettemin is het niet langer beschikken over een nationaal rechtelijke verblijfstitel niet bepalend voor beantwoording van de vraag of eiser een beroep kan doen op de rechtstreeks werkende bepaling van artikel 6 van het Besluit 1/80. Daartoe is bepalend of eiser gedurende een jaar legale arbeid heeft verricht in de betekenis die het HvJ EG daaraan geeft. Volgens vaste rechtspraak van het HvJ EG veronderstelt het legale karakter van de arbeid in de zin van die bepaling een stabiele en niet-voorlopige situatie op de arbeidsmarkt van de desbetreffende Lid-Staat en uit dien hoofde het bestaan van een niet-omstreden verblijfsrecht. In de uitspraak van het HvJ EG van 16 december 1992, nr. C 237/91, RV 1992, 95 (Kus) is vermeld (r.o. 23) dat zodra een Turkse werknemer meer dan één jaar met een geldige arbeidsvergunning arbeid heeft verricht, hij moet worden geacht aan de voorwaarden van artikel 6, eerste lid en eerste gedachtestreepje, van Besluit 1/80 te voldoen, ook wanneer zijn verblijfsvergunning hem oorspronkelijk is verleend voor andere doeleinden dan het verrichten van arbeid in loondienst. In deze casus was sprake van het verrichten van arbeid gedurende een periode langer dan een jaar alvorens het huwelijk werd ontbonden op grond waarvan betrokkene toegang had verkregen tot de arbeidsmarkt in Duitsland. In die zin wijkt de situatie in de geciteerde uitspraak, waarop verweerder zich beroept, af van de situatie die thans in geding is, doordat ten tijde van het verbreken van de relatie op 1 december 2003, eiser nog geen jaar arbeid verrichtte. Van legale arbeid is sprake, wanneer een Turkse onderdaan is gaan werken (en verblijven) volgens de nationale voorwaarden en gedurende tenminste een jaar is blijven werken in een situatie die wat het verblijf betreft, stabiel is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet voldaan aan het vereiste van legale arbeid, omdat het verblijfsrecht van eiser gedurende dat jaar omstreden is geraakt. Ondanks dat eiser in dat jaar beschikte over een geldige verblijfstitel die hem tot het verrichten van arbeid in staat stelde, voldeed eiser met ingang van 1 december 2003 niet meer aan de beperking die aan de verblijfsvergunning was verbonden, waardoor eiser de termijn van een jaar legale arbeid niet heeft kunnen volmaken. Daaraan doet niet af dat verweerder eisers verblijfsvergunning pas op een veel later tijdstip heeft ingetrokken, nadat eiser om een wijziging van de beperking had verzocht.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
- D. Schaap
- I.A.M. de Groot
Partijen
Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie
verweerder · onbekend
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
