ECLI:NL:RBSGR:2007:BA6595
Rechtbank 's-Gravenhage · 29-05-2007 · zaaknummer AWB 06/55034
Inhoudsindicatie
Art. 3 EVRM / Centraal-Irak / alleenstaande vrouwen / contra-indicatie / Saleh Seekh / individualiseringsvereiste Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij een reëel risico loopt op een behandeling welke door artikel 3 van het EVRM wordt verboden. Met verweerder acht de rechtbank de gestelde vrees van eiseres voor een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling onvoldoende aannemelijk om te kunnen concluderen tot een reëel en voorzienbaar risico op een dergelijke behandeling. Er is in het onderhavige geval geen sprake van specifieke individuele kenmerken (special distinguishing features), waaruit een verhoogd risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM valt af te leiden. De rechtbank volgt niet het betoog van eiseres met verwijzing naar de uitspraak van het EHRM van 11 januari 2007 in de zaak Saleh Seekh (JV 2007/30), dat zij behoort tot de sociale groep van alleenstaande vrouwen in Irak waarvan bekend is dat deze in een zeer kwetsbare positie verkeren en dat zij derhalve geen verdere special distinguishing features moet aantonen . Toegegeven moet worden dat uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Irak van december 2006 volgt dat de algemene positie van (alleenstaande) vrouwen in Irak zorgwekkend is, maar een beroep op de algemene situatie kan vanwege het individualiseringsvereiste nimmer leiden tot een geslaagd beroep op artikel 3 van het EVRM. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiseres geen specifieke, op haar persoon betrekking hebbende omstandigheden heeft aangevoerd die haar geval onderscheiden van de van talloze andere Iraakse vrouwen die terugkeren naar Irak. De rechtbank is van oordeel dat, nog daargelaten dat eiseres de groep van (alleenstaande) vrouwen in Irak met onvoldoende special distinguishing features heeft onderbouwd in die zin dat de enkele hoedanigheid van vrouw in Irak geen reëel en voorzienbaar risico vormt op een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling, uit het ambtsbericht van december 2006 weliswaar volgt dat door de verslechterde veiligheidssituatie, strenge leefregels, dan wel conservatieve normen en waarden de deelname van vrouwen aan het publieke leven in het algemeen negatief hebben beïnvloed, maar dat deze kwetsbare en beknotte (rechts)positie van de vrouw in Irak als gevolg van de toenemende islamisering niet gelijk is te stellen met een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De Staatssecretaris van Justitie heeft bij brief van 2 april 2007 besloten om – gelet op de verdere verslechtering van de situatie in Centraal-Irak en de omslag van het beleid van een aantal omringende landen – over te gaan tot het instellen van het beleid van categoriale bescherming ten aanzien van asielzoekers, afkomstig uit Centraal-Irak. Ofschoon het categoriale beschermingsbeleid ten aanzien van Centraal-Irakezen nog niet daadwerkelijk tot stand is gekomen, zal dit beleid worden gevoerd voor asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak, behoudens de contra-indicaties die zijn vermeld in C1/5.13 van de Vc 2000. De brief van 2 april 2007 brengt met zich dat de grief van eiseres tegen het niet voeren van een categoriaal beschermingsbeleid slaagt en dat het bestreden besluit aldus onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en bijgevolg een voldoende draagkrachtige motivering ontbeert aangaande het beroep van eiseres op artikel 29, aanhef en eerste lid, onder d, van de Vw 2000. Het bestreden besluit komt om die reden voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb, zulks onder gegrondverklaring van het beroep. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten, nu uitgesloten is dat een nieuw door verweerder te nemen besluit tot een voor eiseres gunstiger resultaat zal leiden. In het onderhavige geval is gebleken dat er ten aanzien van eiseres sprake is van een contra-indicatie. Verweerder heeft zich in casu in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat de veroordeling van eiseres terzake van een misdrijf aanleiding is – hoewel zij in beginsel viel onder de categorie asielzoekers voor wie naar het oordeel van de Minister terugkeer in verband met de algemene situatie van bijzondere hardheid was – om aan eiseres de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 te onthouden vanwege de omstandigheid dat zij een gevaar voor de openbare orde vormt. Ter zitting is dit door eiseres ook niet weersproken.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Staatssecretaris van Justitie
verweerder · overheid
[eiseres]
eiseres · onbekend
Overheidspartijen
Staatssecretaris van Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
