Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA6160

Rechtbank 's-Gravenhage · 25-05-2007 · zaaknummer Awb 07/13879 en Awb 07/13878

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Dublinclaim / Griekenland / interstatelijk vertrouwensbeginsel / non-refoulement / infringementprocedure Verzoeker stelt zich op het standpunt dat verweerder in de bestreden beschikking ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de door de Europese Commissie (hierna: EC) gestarte infringementprocedure op grond van artikel 226 EG-Verdrag betreffende de wijze waarop Griekenland uitvoering geeft aan zijn verplichtingen op grond van Vo 343/2003. Verzoeker heeft in verband hiermee een – ongedateerde – brief van de EC overgelegd, ontvangen door de gemachtigde van verzoeker op 17 november 2006, waarin ondermeer het volgende staat: “I would like to inform you that the attention of the European Commission has been drawn to certain issues regarding the compatibility of the Greek legislation and practice with the Dublin Regulation and that these issues are currently under examination by the competent Commission services.” De voorzieningenrechter overweegt als volgt. In zijn algemeenheid mag ervan worden uitgegaan dat de lidstaten het beginsel van non-refoulement eerbiedigen. Het is aan de vreemdeling om op grond van concrete, op de individuele zaak betrokken feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat dit in dit geval wat betreft Griekenland anders is. Evenals in de door verzoeker genoemde uitspraken in de zaken met nummer (Awb 07/2757 en 07/2755) en (Awb 07/6024 en 07/6023) kent de voorzieningenrechter daarbij gewicht toe aan het rapport van UNHCR inzake de Griekse asielprocedure van november 2004. Voorts acht de voorzieningenrechter van belang dat de EC aanleiding heeft gevonden onderzoek te doen naar de mate waarin de Griekse autoriteiten uitvoering geven aan hun verplichtingen uit hoofde van Vo 343/2003. Uit de door verzoeker overgelegde brief van de EC blijkt weliswaar niet zonder meer dat sprake is van een formele infringement procedure. Uit de brief van de EC blijkt evenwel in voldoende mate dat bij de EC zorgen bestaan omtrent de verenigbaarheid van de Griekse wetgeving en praktijk met Vo 343/2003. Hetgeen blijkt uit de informatie van UNHCR en de uitlatingen van de EC heeft betrekking op allen die in Griekenland een asielverzoek indienen. Weliswaar is het risico op een slechte behandeling mogelijk groter voor asielzoekers die op eigen gelegenheid Griekenland binnenreizen dan voor asielzoekers die in het kader van Vo 343/2003 worden overgedragen. De uitlatingen van de EC betreffen juist alleen asielzoekers die worden overgedragen en de informatie van UNHCR beperkt zich zeker niet tot asielzoekers die op eigen gelegenheid Griekenland binnenkomen. De stelling van verweerder dat het te ver zou voeren uit de vooral cijfermatige informatie van UNHCR af te leiden dat de Griekse asielprocedure met onvoldoende waarbogen is omkleed volgt de voorzieningenrechter niet, nu UNHCR zelf deze conclusie wel trekt en daar niet alleen cijfermatige informatie maar ook andere gegevens aan ten grondslag legt. Dat de uitkomst van een infringementprocedure slechts betekenis zou hebben voor een in het verleden bestaande situatie volgt de voorzieningenrechter evenmin. Uit de uitspraak van het Europees Hof van Justitie van 7 februari 1973, zaaknummer 39/72, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden afgeleid dat een inbreukprocedure in het algemeen slechts wordt voortgezet indien de situatie van inbreuk voortduurt. Zolang de inbreukprocedure niet is beëindigd mag verweerder derhalve niet zonder meer uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel met betrekking tot de naleving door Griekenland van de refoulementverboden. Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel omtrent de mate waarin Griekenland zijn verplichtingen op grond van de mensenrechtenverdragen naleeft, zodat verweerder niet zonder meer heeft kunnen volstaan met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel ter onderbouwing van de stelling dat Griekenland het beginsel van non-refoulement eerbiedigt. Hetgeen door verzoeker is aangevoerd had voor verweerder aanleiding moeten zijn tot nader onderzoek. Dat de feiten die verzoeker naar voren heeft gebracht niet op hem persoonlijk betrekking hebben maar relevant zijn voor alle asielzoekers in Griekenland doet hieraan niet af, nu uit deze feiten moet worden afgeleid dat voor alle asielzoekers in Griekenland geldt dat onzeker is of de asielprocedure voor hen voldoende bescherming biedt tegen uitzetting in strijd met de relevante verdragen.

Rechters

Partijen

  • [verzoeker]

    verzoeker · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.