ECLI:NL:RBSGR:2007:BA4998
Rechtbank 's-Gravenhage · 24-04-2007 · zaaknummer AWB 05/46093 en AWB 05/50458
Inhoudsindicatie
Ongewenstverklaring / analoge toepassing artikel 32 en 35 Vw 2000 / artikel 3 EVRM Eiser is in 1993 toegelaten als vluchteling omdat hij gegronde vrees zou hebben voor vervolging door de Turkse autoriteiten wegens betrokkenheid bij de PKK. In 1994 is eiser in Duitsland veroordeeld wegens poging tot moord en ongeoorloofd wapenbezit. Na zijn terugkeer in Nederland is eisers toelating als vluchteling ingetrokken en is eiser ongewenst verklaard. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft in 2001 en 2004 een individueel ambtsbericht uitgebracht, waaruit onder meer blijkt dat eiser in Turkije verschillende malen wegens commune delicten strafrechtelijk is veroordeeld en dat eiser niet wordt gezocht door de Turkse autoriteiten. Het beroep tegen de ongewenstverklaring is drie maal eerder door de rechtbank gegrond verklaard. De rechtbank overweegt dat de artikelen 35 en 32 van de Vw 2000 alleen zien op de intrekking van de verblijfsvergunning asiel en niet op de ongewenstverklaring. In dit geval was de intrekking van de verblijfsvergunning al onherroepelijk toen de nieuwe gegevens in de ambtsberichten van 2001 en 2004 aan het licht kwamen. In het thans voorliggende besluit heeft verweerder zich, in het kader van de vraag of artikel 3 van het EVRM aan eisers ongewenstverklaring in de weg staat, op grond van deze gegevens op het standpunt gesteld dat het relaas van eiser ongeloofwaardig is. Deze situatie is door de wetgever niet uitdrukkelijk geregeld. Het strookt naar het oordeel van de rechtbank evenwel met het systeem van de wet om ook in deze situatie te bezien of sprake is van nieuwe gegevens die de vreemdeling aanvankelijk heeft achtergehouden en die, waren zij eerder bekend geweest, tot afwijzing van de asielaanvraag zouden hebben geleid. Verweerder heeft in het onderhavige geval kennelijk deze maatstaf gehanteerd. Niet kan worden gezegd dat verweerder in het bestreden besluit een onjuist beoordelingskader heeft aangelegd. De rechtbank oordeelt verder dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het in 1993 door eiser in het kader van zijn toen gedane asielaanvraag gedane relaas en de nadien door hem afgelegde verklaringen ongeloofwaardig zijn, dat (derhalve) terecht is geconcludeerd dat eiser bij terugkeer naar het land van herkomst geen reëel risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en dat dit artikel dus niet in de weg staat aan de ongewenstverklaring.
Rechters
Advocaten
- C.M. Lindeboom
- I. PROCESVERLOOP
- M.F. Wijngaarden
Partijen
Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie
verweerder · onbekend
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
