Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA4425

Rechtbank 's-Gravenhage · 12-04-2007 · zaaknummer AWB 06/54347

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Artikel 4, eerste lid, van de Definitierichtlijn: De rechtbank is van oordeel dat het nationale recht volledig in overeenstemming is met het neergelegde in artikel 4, eerste lid, van de Definitierichtlijn. Het samenwerkingsvereiste is reeds opgenomen in het nationale recht. Daaraan is invulling gegeven in onder meer het eerste gehoor, het nader gehoor, met daarbij de mogelijkheid tot het aanreiken van correcties en aanvullingen, en de voornemenprocedure, waarin de vreemdeling de mogelijkheid heeft om een zienswijze in te dienen, neergelegd in de artikelen 3.115 tot en met 3.119 van het Vb 2000. Artikel 4, tweede lid, van de Definitierichtlijn: Uit deze bepaling, bezien in samenhang met het eerste lid, vloeit voort dat de vreemdeling alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk dient over te leggen, welke elementen bestaan in de verklaringen van de vreemdeling en alle documentatie in het bezit van de vreemdeling over – onder meer en voor zover hier van belang - de reisroutes en reisdocumenten. De rechtbank stelt allereerst vast dat deze bepaling vooralsnog niet op de juiste wijze is geïmplementeerd in het nationale recht. Immers, deze bepaling is niet in een algemeen verbindend voorschrift vastgelegd. Derhalve kan op deze bepaling rechtstreeks een beroep worden gedaan, nu die bepaling voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk is geformuleerd. De rechtbank is evenwel van oordeel dat er geen sprake is van een significante wijziging van het relevante materiële recht, nu deze elementen reeds bij de beoordeling worden betrokken en zijn opgenomen in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), onder C1/3 paragraaf 1 en 2 en onder C1/5.8. Steun voor deze opvatting vindt de rechtbank verder in de MvT bij het wetsvoorstel tot implementatie van de Definitierichtlijn. Artikel 15, onderdeel c, van de Definitierichtlijn: Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat het neergelegde in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 inhoudelijk slechts voor een deel overeenkomt met het bepaalde in artikel 15 van de Definitierichtlijn. Dat met artikel 15 voornoemd beoogd zou zijn geweest om interpretatieverschillen te voorkomen, zoals door verweerder aangegeven, laat onverlet dat de omschrijving van de risico's van onderdelen a, b en c van dit artikel niet gelijk is aan de omschrijving van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. De rechtbank – zich beperkend tot de grief van eiseres - is van oordeel dat onderdeel c van artikel 15 van de Definitierichtlijn niet is geïmplementeerd, nu het in dit onderdeel omschreven risico niet is terug te vinden in een algemeen verbindend voorschrift. Gelet op het vorenstaande alsmede op het feit dat voornoemde bepaling voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk is geformuleerd, kan eiseres een beroep doen op voornoemde bepaling. Op zich is het juist dat ingevolge artikel 15, onderdeel c, van de Definitierichtlijn voor een geslaagd beroep op subsidiaire bescherming sprake moet zijn van ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger. Hetzelfde geldt voor de verwijzing naar overweging 26 in de preambule, waarin is neergelegd dat gevaren waaraan (een deel van) de bevolking van een land in het algemeen is blootgesteld normaliter op zich geen individuele bedreiging vormen die als ernstige schade kan worden aangemerkt. Met deze overweging wordt echter slechts aangegeven dat de Definitierichtlijn geen categoriale bescherming beoogt te bieden zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Dit laatste is tussen partijen ook niet meer in geschil. Daarmee is evenwel nog niet gezegd hoe het criterium “individuele bedreiging” dient te worden opgevat. Verweerder heeft aangegeven dat er in het individuele geval van eiseres sprake moet zijn van een reëel risico op het lijden van ernstige individuele schade. Overeenkomstig verweerders eerder aangegeven standpunt, inhoudende dat het in artikel 15, onderdeel c, van de Definitierichtlijn geschetste ernstige schade geacht moet worden te zijn begrepen in het bepaalde in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, begrijpt de rechtbank verweerders opvatting aldus dat ten aanzien van artikel 15, onderdeel c, van de Definitierichtlijn sprake dient te zijn van hetzelfde ‘real risk’-criterium dat gehanteerd wordt bij de toepassing van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat verweerders opvatting miskent dat de in artikel 15, onderdeel c, van de Definitierichtlijn aangegeven schade het gevolg is van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands conflict. Voor de aanwezigheid van genoemde ‘individuele bedreiging’ is niet noodzakelijk dat die bedreiging slechts de betrokken vreemdeling zelf betreft of, indien de vreemdeling tot een risicogroep behoort, dat de bedreiging in het bijzonder ten aanzien van de betrokken vreemdeling geldt. Voldoende is dat in een situatie van willekeurig geweld als gevolg van een gewapend conflict de betrokken vreemdeling tot een groep burgers behoort die op grond van (een combinatie van) specifieke kenmerken een zodanig bijzonder risicoprofiel heeft dat reëel te verwachten valt dat leden van die groep burgers het slachtoffer worden van willekeurig geweld. Het criterium ‘willekeurig’ duidt er daarbij op dat het behoren tot een dergelijke groep burgers met een bijzonder risicoprofiel voldoende is en dat niet vereist is dat de betrokken vreemdeling binnen die groep nog eens een extra of aanvullend individueel risico aannemelijk maakt. Het gaat er om dat het geweld leden van de groep burgers zal treffen zonder aanzien des persoons binnen de groep. Het vorenstaande laat onverlet dat het genoemde bijzondere risicoprofiel aan de hand van concrete en verifieerbare feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt zal moeten worden.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Partijen

  • [eiseres]

    eiseres · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.