ECLI:NL:RBSGR:2007:BA3561
Rechtbank 's-Gravenhage · 06-04-2007 · zaaknummer AWB 07/9632 VRONTN
Inhoudsindicatie
Vreemdelingenbewaring / China / afgifte laissez-passer / zicht op uitzetting Op grond van hetgeen partijen hebben aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat het voortduren van de onderwerpelijke vrijheidsontnemende maatregel niet onrechtmatig is. Ook na kennisneming van de beantwoording bij brief van 23 maart 2007 van de door de rechtbank aan verweerder voorgelegde vragen en van de reactie daarop van de gemachtigde van de vreemdeling bij brief van 26 maart 2007 is de rechtbank vooralsnog van oordeel dat voldoende zicht bestaat op uitzetting. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat aan de terugval in het aantal door de Chinese autoriteiten afgegeven laissez-passers in de afgelopen jaren niet direct conclusies kunnen worden verbonden met betrekking tot het zicht op uitzetting in een individueel geval. Indien de vreemdeling van beweerdelijk Chinese nationaliteit zelf meewerkt aan zijn uitzetting door aan verweerder alle relevante gegevens te verstrekken en de vragenlijst van de Chinese autoriteiten zo volledig mogelijk in te vullen, bestaat in het algemeen een gerede kans op afgifte van een laissez-passer. Blijkens een mededeling van verweerders gemachtigde ter zitting vinden bij de Chinese consulaire autoriteiten in Nederland geen presentaties in persoon plaats. De beslissing van evengenoemde autoriteiten tot afgifte van een laissez-passer is dus kennelijk geheel gebaseerd op de informatie uit individuele dossiers. Volgens verweerders gemachtigde zijn sedert april 2006 15 laissez-passers afgegeven; in 14 gevallen waren daarbij nadere documenten voorhanden (bijvoorbeeld een kopie van een paspoort), in één dossier was dat niet het geval. In de onderhavige zaak heeft verweerder ter verkrijging van een geldig document voor grensoverschrijding de vreemdeling schriftelijk gepresenteerd bij de Chinese autoriteiten, welke het verzoek om afgifte van een laissez-passer in onderzoek hebben genomen. Blijkens de nagekomen informatie van verweerder van 15 maart 2007 wordt maandelijks, laatstelijk op 1 maart 2007, bij de Chinese autoriteiten naar de voortgang van dit onderzoek geïnformeerd. Voorts zal de vreemdeling op 20 maart 2007 nader worden gehoord. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder geen gebrek aan voortvarendheid kan worden verweten. Voorts acht zij, gelet op de omstandigheid dat de bewaring nog geen zes maanden voortduurt en de vreemdeling blijkens de voortgangsrapportage zelf een brief aan de Chinese vertegenwoordiging heeft gestuurd, nog voldoende zicht op uitzetting aanwezig. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het resultaat van het onderzoek door de Chinese autoriteiten vooralsnog dient worden afgewacht. Beroep ongegrond.
Rechters
Advocaten
- E.M. Hoorenman
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Staatssecretaris van Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
Staatssecretaris van Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
