ECLI:NL:RBSGR:2007:BA3543
Rechtbank 's-Gravenhage · 13-04-2007 · zaaknummer AWB 06/37795
Inhoudsindicatie
Afgeleide asielstatus / nareiscriterium / analogieredenering / bijzondere omstandigheden Referent, de vader van eisers, is in 1999 uit Uganda naar Nederland gevlucht. Hij is in 2003 als vluchteling tot Nederland toegelaten en heeft een verblijfsvergunning asiel op de a-grond van artikel 29 van de Vw 2000 gekregen. Referent heeft direct na aankomst in Nederland een Tracing Request bij het Rode Kruis ingediend om zijn zoekgeraakte vrouw en kinderen op te sporen. Twee van de kinderen zijn uiteindelijk begin 2005 getraceerd, de andere gezinsleden zijn niet gevonden. Binnen drie maanden nadat referent dit te horen heeft gekregen, start hij de referentenprocedure op, waarmee hij om overkomst van de twee gevonden kinderen naar Nederland vraagt. Verweerder meent dat er geen recht is op een afgeleide asielstatus omdat niet aan het nareiscriterium is voldaan. Immers, er is niet binnen drie maanden nadat referent een asielvergunning heeft gekregen, gevraagd om overkomst van de kinderen. Evenmin is er recht op reguliere verblijfsvergunningen, omdat referent niet over middelen beschikt. Artikel 8 EVRM noopt niet tot toelating omdat niet is gebleken dat referent nooit aan het middelenvereiste zal kunnen gaan voldoen. Eisers menen dat verweerder artikel 29, eerste lid, aanhef en sub e analoog had moeten toepassen, omdat binnen drie maanden nadat zij waren gevonden door het Rode Kruis, referent om gezinshereniging gevraagd. Subsidiair menen eisers dat artikel 8 EVRM noopt tot toelating. Het besluit rust in eisers visie niet op deugdelijk onderzoek en is ontoereikend gemotiveerd. Recht scheppen is aan de wetgever en recht vinden aan de rechter. Voor de door eisers gevraagde analogieredenering, die het construeren van een ongeschreven rechtsregel meebrengt, is daarom alleen ruimte onder zeer bijzondere omstandigheden. Na een met partijen gedeeld onderzoek naar de parlementaire geschiedenis van artikel 29, eerste lid, aanhef en sub e van de Vw 2000 en het internationale recht waaraan met deze nationale bepaling is beoogd uitvoering te geven, komt de rechtbank tot de conclusie dat de door eisers gevraagde analogieredenering aansluit bij doel en ratio van de regelgeving. Daarnaast maakt de vermissing van de gezinsleden van referent en het daaruit voortvloeiende leed voor betrokkenen deze zaak zo klemmend, dat de verzochte analogie zich in feite opdringt. Door na te laten de gevraagde analogieredenering te maken is verweerder onvoldoende ingegaan op de bijzondere omstandigheden van het geval. Ook heeft verweerder zich bij het beoordelen van deze omstandigheden onvoldoende rekenschap gegeven van het doel van de nationale bepaling en de internationale regelgeving waaraan de bepaling uitvoering geeft. Ook het standpunt van verweerder dat artikel 8 EVRM niet tot toelating noopt is niet zorgvuldig voorbereid en ontoereikend gemotiveerd. De bijzondere omstandigheden van het geval zijn namelijk niet kenbaar in de belangenafweging betrokken.
Rechters
Advocaten
- A.H.A. Kessels
- C. Brand
- I. PROCESVERLOOP
- W.B. Klaus
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Minister van Buitenlandse Zaken
verweerder · overheid
[eiser]
eiser · onbekend
Overheidspartijen
Minister van Buitenlandse Zaken
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
