ECLI:NL:RBSGR:2007:BA2296
Rechtbank 's-Gravenhage · 01-03-2007 · zaaknummer AWB 06 / 48035
Inhoudsindicatie
COA / geen besluit artikel 1:3 Awb / bevoegdheid voorzieningenrechter Verzoeker heeft op 1 november 2005 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel “het ondergaan van medische behandeling”. Bij brief van 28 december 2005 heeft gemachtigde verzocht tot analoge toepassing van artikel 64 Vreemdelingenwet en daarmee samenhangend het verzoek tot opvang door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA). Verzoeker heeft op bij brief van 31 maart 2005 (fictief) bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek van 28 december 2005. Verweerder heeft het (fictieve) bezwaar opgevat als (mede) te zijn gericht tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvraag van 1 november 2005 tot het verlenen van een verblijfsvergunning en heeft het bezwaar bij besluit van 4 september 2006 ongegrond verklaard en de aanvraag van 1 november 2005 afgewezen. Verzoeker heeft op 4 september 2006 beroep ingesteld en gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker heeft ter zitting verklaard met de brief van 31 maart 2006 niet de bedoeling te hebben gehad (fictief) bezwaar te maken tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvraag van 1 november 2005. De voorzieningenrechter stelt vast dat in de bewoordingen van het bezwaarschrift van 31 maart 2006 geen aanknopingspunten zijn te vinden voor de opvatting van verweerder dat het (fictieve) bezwaar mede is gericht tegen het uitblijven van een besluit op de gevraagde verblijfsvergunning. Het beroepschrift, voor zover gericht tegen het afwijzen van de aanvraag van een vergunning voor bepaalde tijd voor het ondergaan van medische behandeling dient te worden aangemerkt als een bezwaarschrift en verweerder dient dat bezwaarschrift nog in behandeling te nemen. Het verzoek van 28 december 2005 om opvang en verstrekkingen via het COA kan, gelet op de plaats in het bestreden besluit, niet worden opgevat als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb tot afwijzing van de gevraagde opvang en verstrekkingen. De rechtbank is niet bevoegd daarvan kennis te nemen. Verweerder dient nog een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb te nemen. De rechtbank is wel bevoegd kennis te nemen van het beroep gericht tegen de ongegrondverklaring van het (fictieve) bezwaar tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek van 28 december 2005 tot verlening van opvang en verstrekkingen. Daarom is de voorzieningenrechter bevoegd kennis te nemen van het verzoek om voorlopige voorziening. Nu verweerder nog dient te beslissen op de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor het doel “medische behandeling” en verzoeker de behandeling van die aanvraag van rechtswege in Nederland mag afwachten heeft verzoeker geen belang (meer) bij de gevraagde voorlopige voorziening.
Rechters
Advocaten
- M.H.K. Middelkoop
- R.M. ter Hart
Partijen
[verzoeker]
verzoeker · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
