ECLI:NL:RBSGR:2007:BA2294
Rechtbank 's-Gravenhage · 28-03-2007 · zaaknummer AWB 06/43678
Inhoudsindicatie
Vovo hangende bezwaar / ongewenstverklaring en afwijzing verlengingsaanvraag / procesbelang / vergelijkbare strafmaat In de door verweerder aangehaalde jurisprudentie van de Afdeling (o.a. uitspraak van 6 juli 2006, JV 2006/347) is geoordeeld dat een vreemdeling geen belang heeft bij een beroepsprocedure tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning, zolang hij ongewenst is verklaard. Uit deze jurisprudentie volgt niet dat een vreemdeling geen belang heeft bij een verzoek om een voorlopige voorziening dat – zoals in casu het geval is – connex is aan een bezwaar dat is gericht tegen zowel de ongewenstverklaring als de afwijzing van de verlengingsaanvraag. Door opschorting van de rechtsgevolgen van de ongewenstverklaring kan verzoekster weliswaar nog immer niet in het bezit komen van een verblijfsvergunning, maar in dat geval staat artikel 67, derde lid, van de Vw 2000 niet in de weg aan het verkrijgen van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder h, van de Vw 2000, te weten gedurende de periode dat nog niet is beslist op het bezwaar tegen de afwijzing van de verlengingsaanvraag. Het verzoek is derhalve ontvankelijk. Hoewel niet wordt getwijfeld aan de deskundigheid van de Officier van Justitie in deze, is de voorzieningenrechter van oordeel dat voor de beoordeling of de strafmaat vergelijkbaar is met de strafmaat die in Nederland zou zijn opgelegd wanneer het feit in Nederland zou zijn gepleegd, niet kan worden volstaan met de enkele strafeis die de Officier van Justitie in Nederland zou hebben geformuleerd indien het door verzoekster gepleegde strafbare feit in Nederland zou zijn gepleegd. Dit enkele gegeven levert immers geen adequate strafmaatvergelijking op, zoals bedoeld in het derde lid van artikel 3.86 van het Vb 2000. Dit leidt tot het (voorlopig) oordeel dat het besluit van 21 juli 2006 onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. De omstandigheid dat in verweerders beleid ter zake van ongewenstverklaring, neergelegd in hoofdstuk B1/2.2.4.2 van de Vc 2000, is bepaald dat voor de strafmaatvergelijking van in het buitenland gepleegde en/of berechte misdrijven wordt aangesloten bij de gepubliceerde richtlijnen van het Openbaar Ministerie met betrekking tot de eis van de Officier van Justitie, kan niet leiden tot een andere conclusie. Naar het (voorlopig) oordeel van de voorzieningenrechter verhoudt deze beleidsregel zich niet (geheel) met artikel 3.86, derde lid, van het Vb 2000, zijnde een algemeen verbindend voorschrift waarvan niet bij beleidsregel kan worden afgeweken. Toewijzing verzoek.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[verzoekster]
verzoekster · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
