Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA1598

Rechtbank 's-Gravenhage · 22-03-2007 · zaaknummer AWB 07/9251

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / zicht op uitzetting / China De gemachtigde van eiser heeft onder meer een beroep gedaan op het ontbreken van reëel zicht op uitzetting in het geval van eiser, nu de Chinese autoriteiten nagenoeg geen laissez-passers verstrekken. De rechtbank komt, evenals eerder onder meer de zittingsplaatsen Rotterdam, Dordrecht en Maastricht, na het stellen van aanvullende vragen aan verweerder, tot het oordeel dat een reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. De rechtbank heeft in dit verband van belang geacht dat niet in geschil is dat het aantal door de Chinese autoriteiten verstrekte lp’s vanaf de tweede helft van het jaar 2006 opmerkelijk is gedaald ten opzichte van eerdere jaren en dat sindsdien slechts in 2 à 3 % van de ingediende aanvragen een laissez-passer-akkoord (lp-akkoord) is verstrekt. Verweerder heeft desgevraagd geen enkele oorzaak weten te duiden voor de drastische afname van lp-akkoorden sedert medio 2006 en heeft ook geen aanwijzingen om aan te nemen dat op korte termijn wijziging zal komen in de huidige gang van zaken. Voor het verlenen van uitstel aan verweerder voor het indienen van een nadere cijfermatige onderbouwing heeft de rechtbank geen termen aanwezig geacht. Naar het oordeel van de rechtbank is beantwoording van die vraag ook anders mogelijk dan door middel van een cijfermatige onderbouwing. Daarenboven stelt verweerder ten onrechte dat de tijd voor beantwoording door middel van een cijfermatige onderbouwing (te) kort is geweest. De problematiek van deze daling is immers bij verweerder, die het aantal verstrekte akkoorden - zoals ter zitting is meegedeeld - volgt, reeds geruime tijd bekend of had in elk geval bekend kunnen en moeten zijn. Bij een dermate laag percentage als hiervoor genoemd kan naar het oordeel van de rechtbank in beginsel niet meer worden gesproken van een reëel zicht op uitzetting. Dat zou anders kunnen zijn, indien, zoals verweerder stelt, de vraag of de bevoegde autoriteiten wel of geen lp-akkoord afgeven afhankelijk is van de juistheid en of volledigheid van de door een vreemdeling verstrekte gegevens. Door verweerders gemachtigde is ter zitting weliswaar gesteld dat het al dan niet verstrekken van een dergelijk akkoord inderdaad afhankelijk zou zijn van het verstrekken van juiste en volledige gegevens door de vreemdeling, maar de rechtbank is van oordeel dat voor dit door verweerder ingenomen standpunt een voldoende deugdelijke (feitelijke) grondslag ontbreekt. Verweerder heeft dit standpunt immers niet nader onderbouwd en heeft zelfs aangegeven dat het beschikbaar zijn van een (kopie van een) identiteitsondersteunend document evenmin van doorslaggevende betekenis is voor de afgifte van een lp-akkoord. Verweerder heeft voorts ook geen enkel inzicht heeft kunnen verschaffen in de criteria die de Chinese autoriteiten aanleggen om tot een akkoord te komen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het wel of niet meewerken door een vreemdeling met de Chinese nationaliteit van invloed is op, laat staan van doorslaggevende betekenis is voor, de vraag of een lp-akkoord door de bevoegde autoriteiten zal worden afgegeven. Tenslotte zijn door verweerder geen feiten en omstandigheden genoemd, waarom er specifiek in het geval van eiser wel grond is om te veronderstellen dat er voor hem alsnog op korte termijn een lp-akkoord zal worden verstrekt. Voor wat betreft de toekenning van schadevergoeding heeft de rechtbank de bewaring onrechtmatig geacht vanaf 1 maart 2007. De rechtbank heeft hieraan ten grondslag, gelegd onder verwijzing naar een uitspraak van 16 februari 2007 van de rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, met procedurenummer AWB 07/969 dat verweerder uit die uitspraak duidelijk heeft moeten en kunnen zijn dat de rechtbank consequenties zou verbinden aan het niet of nauwelijks nog verstrekken van lp-akkoorden door de Chinese autoriteiten en het daardoor niet meer bestaan van reëel zicht op uitzetting. De rechtbank heeft vervolgens een termijn van circa twee weken voldoende geacht voor verweerder om te hebben kunnen bezien tot welke consequentie voormelde uitspraak en de gegevens waarop die uitspraak is gebaseerd in het geval van eiser hadden moeten leiden. Niet gebleken is dat er om andere redenen dan het ontbreken van een reëel zicht op uitzetting aanleiding is om de bewaring per een eerdere datum dan 1 maart 2007 onrechtmatig te achten.

Advocaten

  • G.J.C. van Buuren
  • I. PROCESVERLOOP

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • Staatssecretaris van Justitie te ’s-Gravenhage

    verweerder · overheid

  • [eiser]

    eiser · onbekend

Overheidspartijen

  • Staatssecretaris van Justitie te ’s-Gravenhage

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.