Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA1576

Rechtbank 's-Gravenhage · 23-03-2007 · zaaknummer AWB 06/43690

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening / ongewenstverklaring / artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag / 3 EVRM Verzoeker, in het bezit van de Nepalese nationaliteit, heeft op 16 juni 2002 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 11 april 2003 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Bij uitspraak van 2 juli 2004 heeft de rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, het daartegen ingestelde beroep van 5 mei 2003 (AWB 03/26897) gegrond verklaard en het besluit van 11 april 2003 vernietigd. Aan deze vernietiging heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat het haar niet is gebleken dat verweerder – op de wijze als uiteengezet in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 juni 2004 (JV 2004/279) – heeft onderzocht of verzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 van het EVRM zich duurzaam verzet tegen zijn uitzetting naar Nepal. Hierop heeft verweerder bij besluit van 5 september 2006 andermaal afwijzend op de aanvraag van 16 juni 2002 beslist. Tegen dit besluit is op 7 september 2006 beroep ingesteld (AWB 06/43688). Tevens heeft verweerder, nu verweerder artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag op verzoeker van toepassing acht, verzoeker bij het besluit van 5 september 2006 tot ongewenst vreemdeling verklaard op grond van het bepaalde in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Voor zover het de ongewenstverklaring betreft, is tegen het besluit van 5 september 2006 bij verweerder bezwaar gemaakt. Ten tijde van het sluiten van het onderzoek ter zitting was op het bezwaar nog niet beslist. Onder verwijzing naar meergenoemde uitspraak van 2 juli 2004 stelt de voorzieningenrechter vast dat niet meer ter discussie staat dat verweerder terecht artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag op verzoeker van toepassing heeft geacht in verband met verzoekers lidmaatschap van en werkzaamheden voor de Nepal Communist Party (CPN). De voorzieningenrechter overweegt vervolgens, voorlopig oordelend, dat verweerder in deze tegenwerping op zichzelf grond heeft kunnen zien om te komen tot het standpunt dat verzoekers aanwezigheid hier te lande in strijd is met het belang van de internationale betrekkingen van Nederland. Vervolgens overweegt de voorzieningenrechter dat de rechtbank over de vraag of bij uitzetting van verzoeker sprake is van een risico als bedoeld in artikel 3 van het EVRM, in de eerdere uitspraak van 2 juli 2004 nog niet inhoudelijk heeft geoordeeld. Tevens constateert de voorzieningenrechter, gelet op de redactie van het bestreden besluit van 5 september 2006, dat verweerder in het besluit tot ongewenstverklaring niet, althans niet kenbaar, heeft getoetst aan artikel 3 van het EVRM. Gelet op het verhandelde ter zitting in de beroepszaak (AWB 06/43688), waarvan partijen ter zitting desgevraagd naar voren hebben gebracht dat dit als herhaald en ingelast kan worden beschouwd in de onderhavige voorzieningenprocedure, komt de voorzieningenrechter evenwel tot het voorlopig oordeel dat het bepaalde in artikel 3 van het EVRM niet aan de ongewenstverklaring in de weg staat. Het beroep van verzoeker ter zitting op de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 11 januari 2007 (‘Salah Sheekh’, gepubliceerd in JV 2007/30) doet aan vorenstaand voorlopig oordeel niet af. Anders dan in de zaak van Salah Sheekh het geval was, is verzoeker – hetgeen ook verder niet ter discussie staat – niet reeds in zijn land van herkomst ten prooi gevallen aan een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling zijdens partijgenoten van de CPN. De verwijzing door verzoekers gemachtigde naar de in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van augustus 2006 geschetste folterpraktijken van de Maoïsten, wat hier overigens ook van zij, treft in dit verband evenmin doel, daar blijkens voorgaande overwegingen niet aannemelijk is dat verzoeker als afvallig Maoïst bij zijn voormalige partijgenoten te boek staat. Het bezwaar van verzoeker heeft geen redelijke kans van slagen. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal daarom worden afgewezen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter heeft de meervoudige kamer van rechtbank vastgesteld dat het besluit tot ongewenstverklaring nog voortduurt en er derhalve geen belang bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 6 juli 2006 (JV 2006/347) is het beroep van 7 september 2006 niet-ontvankelijk verklaard.

Advocaten

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • Staatssecretaris van Justitie te ‘s Gravenhage

    verweerder · overheid

  • [verzoeker]

    verzoeker · onbekend

Overheidspartijen

  • Staatssecretaris van Justitie te ‘s Gravenhage

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.