ECLI:NL:RBSGR:2007:BA0848
Rechtbank 's-Gravenhage · 15-03-2007 · zaaknummer AWB 06/33516 en AWB 06/33723
Inhoudsindicatie
Definitierichtlijn / Irak / verstrijken implementatietermijn / artikel 83 van de Vw 2000 / categoriale bescherming Zoals overwogen door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 22 november 2006 (JV 2007, 37) bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de algehele situatie in Centraal-Irak, beschreven in het algemene ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Irak van 27 april 2006, niet dusdanig is veranderd ten opzichte van de in het algemene ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Irak van 15 december 2005 beschreven situatie, dat wederom een beleid van categoriale bescherming dient te worden gevoerd. Gelet hierop, alsmede gelet op het feit, dat de door eiser aangevoerde informatie niet leidt tot het oordeel dat sedert 22 november 2006 sprake is van een zodanige plotselinge verslechtering van de situatie in Irak, dat een categoriaal beschermingsbeleid is geïndiceerd, kan het in dit kader door eiser aangevoerde - te weten dat verweerders standpunt, inhoudende dat terugkeer naar Irak in verband met de algemene situatie aldaar niet van bijzondere hardheid is, onvoldoende is gemotiveerd - door de rechtbank niet worden gevolgd. Volgens vaste jurisprudentie (zie onder meer rechtsoverwegingen 66 en 67 van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 5 februari 2004, zaak C-157/02) dienen lidstaten tot wie een richtlijn is gericht zich gedurende de bij die richtlijn vastgestelde termijn voor omzetting ervan in nationaal recht te onthouden van maatregelen die de verwezenlijking van het door de richtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar zouden brengen. Dit neemt echter niet weg dat de nationale rechter in door particulieren ingestelde procedures, waarin een beroep wordt gedaan op de rechtstreekse werking van een richtlijn, pas na het verstrijken van de termijn voor omzetting ervan gehouden is om eerdere nationale voorschriften die in strijd zijn met deze richtlijn, buiten toepassing te laten. De rechtbank stelt vast dat de implementatietermijn voor de Definitierichtlijn eerst op 10 oktober 2006 is verstreken en dat het bestreden besluit dateert van vóór die datum. Eisers beroep op bepalingen uit de Definitierichtlijn kan derhalve reeds om die reden niet slagen. Naar aanleiding van het vorenstaande kan ook eisers beroep op artikel 83 van de Vw 2000 niet slagen.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
