Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBSGR:2007:BA0839

Rechtbank 's-Gravenhage · 06-02-2007 · zaaknummer AWB 06/38208

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Irak / artikel 3 EVRM / tijdsverloop Verweerder stelt zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat hetgeen eiseres heeft aangevoerd niet kan leiden tot een geslaagd beroep op de b-grond van artikel 29 van de Vreemdelingenwet 2000. Het enkele tijdsverloop kan niet tot de omkering van de bewijslast leiden. Eiseres heeft onvoldoende geconcretiseerd in hoeverre zij als verwesterde vrouw, als arts behorend tot een categorie personen die geassocieerd worden met geld een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Ook het de stellingen van eiseres dat zij vanwege haar Soennitische geloof een verhoogd risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM heeft eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet nu eiseres het standpunt van verweerder, namelijk dat er geen sprake is van gelijke gevallen, onvoldoende bestreden. Met betrekking tot de stelling van eiseres dat zij in het verleden onder het categoriaal beschermingsbeleid voor Centraal-Irak viel en dat zij ten onrechte niet in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel op de d-grond, overweegt de rechtbank dat dit niet kan leiden tot de verlening van een verblijfsvergunning nu ten tijde van het bestreden besluit het categoriaal beschermingsbeleid was beëindigd. De rechtbank ziet in dat eiseres lange tijd in onzekerheid heeft verkeerd omtrent haar verblijfsstatus, maar dit vormt op zichzelf geen reden om tot verlening van een verblijfsvergunning over te gaan. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder ten onrechte eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “tijdsverloop in de asielprocedure” heeft onthouden. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat laatstgenoemde verblijfsvergunning onthouden kan worden op grond van artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000, waarin is bepaald dat indien de vreemdeling, voor zover hier van belang, de echtgenote is van een vreemdeling ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, deze vreemdeling niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning regulier. De rechtbank overweegt voorts dat deze nevenzittingsplaats bij uitspraak van 6 februari 2007 (Awb 06/29558) het beroep van de echtgenoot van eiseres voor zover gericht tegen de toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag gegrond is verklaard. In verband daarmee heeft deze nevenzittingsplaats tevens bij haar uitspraak van 6 februari 2007 het door de echtgenoot van eiseres ingediende beroep tegen de onthouding van een verblijfsvergunning regulier gegrond verklaard. Gelet hierop is het onderhavige beroep regulier van eiseres eveneens gegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, nu uit de wetsgeschiedenis blijkt dat van bedoelde bevoegdheid in beginsel alleen gebruik mag worden gemaakt als na de vernietiging rechtens nog maar één beslissing mogelijk is. Hoewel aan vergunningverlening thans niets in de weg lijkt te staan acht de rechtbank die bevoegdheid in casu voorbehouden aan verweerder.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Partijen

  • [eiseres]

    eiseres · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.