Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBSGR:2006:AX9282

Rechtbank 's-Gravenhage · 20-04-2006 · zaaknummer AWB 05/51520

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Mvv / zeelieden / artikel 3.71, tweede lid, onder d, Vb 2000 / artikel 26 IVBPR. Eiser, van Kaapverdische nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier met als doel het zoeken van arbeid in loondienst aan boord van een Nederlands zeeschip. Nu niet in geschil is dat eiser minder dan zeven jaar werkzaam is geweest op een Nederlands zeeschip, kan hem op grond van artikel 3.71, tweede lid, onder d, Vb 2000 het mvv-vereiste in beginsel worden tegengeworpen. Ter zake van de stelling van eiser dat er sprake is van ongelijke behandeling tussen zeelieden met een arbeidsverleden van ten minste zeven jaar en zeelieden met een arbeidsverleden van korter dan zeven jaar, overweegt de rechtbank dat niet ieder onderscheid naar status discriminatie oplevert. Het in een wettelijke regeling maken van onderscheid is geoorloofd, indien daarvoor redelijke en objectieve gronden bestaan. In de Nota van Toelichting bij artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder d, Vb 2000 is vermeld dat er enkele specifieke regelingen zijn met betrekking tot de vergunningverlening met het oog op verlof, gezinshereniging en gezinsvorming, werkloosheid en werk op Nederlandse grondgebied voor vreemdelingen die een arbeidsverleden van zeven jaar of langer in deze sectoren van de internationale arbeidsmarkt hebben. Gelet op het feit dat deze vreemdelingen veelal niet beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats in het buitenland, geacht worden verblijf te houden aan boord van het Nederlands zeeschip of de mijnbouwinstallatie op het Nederlands deel van het continentaal plat, en reeds zeven jaar in deze positie verkeren, is het redelijk van hen niet te verlangen dat zij terugkeren naar het land van herkomst om aldaar een mvv aan te vragen. Gelet op hetgeen in de Nota van Toelichting is vermeld is het onderscheid dat hierin wordt gemaakt gebaseerd op redelijke en objectieve gronden. Naar het oordeel van de rechtbank is er in onderhavige geval dan ook geen sprake van strijd met artikel 26 IVBPR.

Advocaten

Partijen

  • Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie

    verweerder · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.