ECLI:NL:RBSGR:2006:AX6767
Rechtbank 's-Gravenhage · 04-05-2006 · zaaknummer AWB 06/18941, e.v.
Inhoudsindicatie
Geloofwaardigheid / toetsingskader / zwaarwegendheid. De vraag of eiser te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag dan wel voor foltering als bedoeld in artikel 3 EVRM is een kwalificatievraag die vol moet worden getoetst. Eiser stelt dat hij na terugkeer naar India als gevolg van zijn bekering te vrezen heeft voor vervolging. Verweerder heeft in dit kader verklaard dat eiser de gestelde problemen niet heeft geïndividualiseerd noch overigens aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft deze omstandigheid vervolgens gewaardeerd als het realiteitsgehalte van de door eiser aan de geloofwaardig geachte feiten ontleende vermoedens. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte op dit onderdeel een geloofwaardigheidsoordeel heeft gegeven, nu de vraag naar de geloofwaardigheid van de vermoedens volledig de kwalificatievraag overlapt. Nu verweerder de bekering van eiser tot het geloof der Mormonen geloofwaardig heeft geacht, is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. Verweerder heeft niet in redelijkheid het relaas van eiser ongeloofwaardig kunnen achten. Nu het geloofwaardigheidsoordeel van verweerder, gelet op het voorgaande, geen stand kan houden, is vervolgens aan de orde de vraag of verweerder het relaas van eiser terecht onvoldoende zwaarwegend heeft geacht voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap. Eiser heeft verwezen naar het Country Report van april 2005 van het Britse Home Office. De rechtbank is van oordeel dat de inhoud van het rapport van de Britse Home Office onvoldoende is voor de conclusie dat eiser te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn geloofsovertuiging. Hierbij acht de rechtbank van belang dat, hoewel uit voornoemd rapport blijkt dat er sinds 1998 honderden aanvallen op christelijke leiders, gelovigen en kerken hebben plaatsgevonden, niet gebleken is dat christenen in algemene zin te vrezen hebben voor vervolging. Voorts blijkt uit het door eiser aangehaalde rapport niet dat de autoriteiten niet in staat zijn om bescherming hiertegen te bieden. Nu hetgeen eiser heeft aangevoerd voorts geen betrekking heeft op hem persoonlijk betreffende gebeurtenissen, maar slechts op christenen in het algemeen, kan zijn betoog in dit kader niet leiden tot de conclusie dat verweerder het relaas van eiser op dit punt ten onrechte onvoldoende zwaarwegend heeft geacht voor een geslaagd beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, Vw 2000. Voorts heeft eiser, onder verwijzing naar het rapport van april 2005 van de Britse Home Office, betoogd dat hij bij terugkeer het risico loopt onderworpen te worden aan ondervragingen door de veiligheidsdiensten, gelet op het feit dat hij lang weg is geweest uit India, hij in het bezit is van een verlopen paspoort en hij door de autoriteiten van de Verenigde Staten uitgezet is en derhalve door de Indiase autoriteiten aangenomen zou kunnen worden dat hij contact heeft (gehad) met leden van terroristische organisaties. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat eiser deze vrees slechts heeft gebaseerd op de inhoud van het rapport van het Britse Home Office en dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser in de negatieve aandacht van de autoriteiten zal staan. Beroep ongegrond, afwijzing verzoek, afwijzing verzoek om schadevergoeding.
Rechters
Advocaten
- G.E. Jans
- I. PROCESVERLOOP
- T. Hartsuiker
Partijen
Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie
verweerder · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
